artikel

Professor Luc van Loon: ‘Inspanning en voeding kun je niet los van elkaar zien’ *

Voedingswetenschap

Professor Luc van Loon: ‘Inspanning en voeding kun je niet los van elkaar zien’ *

Het is lunchtijd en Luc van Loon (43), hoogleraar op het gebied van de fysiologie van inspanning met bijzondere aandacht voor de rol van voeding, zit nog in een onverlichte werkkamer op de universiteit van Maastricht. Zo werkt hij wel vaker, maar voor het interview mag ik het licht aandoen. Terwijl hij koffie gaat halen, kan er een telefoontje komen. Of ik even op wil nemen als hij nog weg is, want ik ken de persoon die belt ook. Van Loon houdt wel van een grapje, is ongedwongen, niet van het te strakke protocol, behalve op het terrein van zijn onderzoeken, waarover hij serieus is.

De onderzoeksgroep van Van Loon bestaat uit zo’n dertig mensen van wie het merendeel zich richt op relaties tussen inspanning, voeding en veroudering. Hierbij is de rol van eiwit een hot topic. Ongeveer twintig procent van de aandacht binnen de onderzoeksgroep gaat uit naar voeding en (top)sport. ‘Hiervan kennen veel mensen mij nog uit het verleden, terwijl het meeste onderzoek zich eigenlijk op andere gebieden richt, zoals veroudering en diabetes’, zegt Van Loon. ‘Maar sport is een belangrijk onderdeel binnen ons onderzoek. Eigenlijk zijn sporters de laatst overgebleven gezonde proefpersonen; het is moeilijk helemaal gezonde proefpersonen te vinden. Met sporters – die over het algemeen een gezonde leefstijl hebben – kunnen we metingen doen op het gebied van absorptie en digestie, waarvan we de resultaten vervolgens kunnen gebruiken bij zieke of oudere mensen. We testen concepten in gezonde personen om te zien hoe mechanismen werken, die we daarna klinisch toepassen.’

Vanwege zijn onderzoek op het gebied van sport, beweging en voeding is Van Loon per 22 januari tevens geïnstalleerd als lector aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN), dat hij naast zijn professoraat uitvoert. Hier gaat hij toegepast, resultaatgericht onderzoek naar voeding en beweging verstevigen. ‘Veel onderzoek is toegepast, ook aan de universiteit’, weet Van Loon. ‘Zolang ik niet bezig ben met geïsoleerde cellen in een petrischaaltje of met proefdieren, is het ook aan de universiteit toegepast, want uiteindelijk gaat het om te achterhalen welke functies of prestaties we van voeding bij de mens of patiënt terugzien. Het verschil met de HAN is dat we daar metingen gaan doen die we direct in de prestaties van sporters kunnen terugzien en die bruikbaar zijn, onder andere voor de begeleiders van de sporters, zoals coaches, diëtisten, fysiotherapeuten, enz.’ Van Loon voert het lectoraat samen met Marian de van der Schueren, onderzoeker van de afdeling Diëtetiek en Voedingswetenschappen van het VU Medisch Centrum in Amsterdam. ‘Zij zal zich meer op de gezondheidsaspecten van voeding en beweging gaan richten, minder specifiek op sport en voeding.’

Bietensaponderzoek
Een onderzoeksproject dat Van Loon vanuit de HAN en Universiteit Maastricht mede opzet wordt uitgevoerd in samenwerking met NOC/NSF en Innosport. Dit project gaat in op het effect van rodebietensap op de prestaties van leden van Nederlandse topsportteams. Uitkomsten van eerdere onderzoeken laten zien dat nitraat, in geconcentreerd bietensap, de zuurstofbehoefte bij inspanning doet afnemen. Hierdoor zou de sportprestatie omhoog kunnen gaan. Tijdens de Olympische Spelen in Londen was rodebietensap een veel gebruikt drankje door de deelnemende sporters. Het idee is dat de stikstofoxide (NO) uit nitraat, na omvorming in nitriet, zorgt voor een betere opnamecapaciteit van zuurstof, onder andere doordat de bloedvaten verder open gaan staan.

‘Het precieze mechanisme is nog niet bekend’, zegt Van Loon. ‘Dat willen we nu verder in kaart brengen. Wat is de reden voor een betere doorbloeding en welke precursors voor de vorming van NO zijn er allemaal, wat zijn de beperkende factoren? Daarbij willen we nagaan bij welke inspanning en bij welk type sport de inname van bietensap werkzaam is. Is de uitwerking hetzelfde bij een wielrenner, duursporter, badmintonner of krachtsporter? Nu wordt er vaak gezegd, als het werkt bij hardlopers, dan zal het bij wielrenners ook wel werken, maar dat gaat niet altijd op. En welke hoeveelheden werken dan? In een tweede onderzoek gaan we onder andere in kaart brengen in welke vorm het nitraat het beste kan worden aangeboden. Is bietensap het beste, of natriumnitraat in poedervorm, of nitraat uit groene bladgroenten zoals spinazie of rucola?’

Op dit moment gaat de discussie in de sportvoedingswereld over de vraag of bietensap(concentraat) wel zinvol is voor de beste topsporters. Er zijn aanwijzingen dat vooral de subtop of net wat minder getrainde sporters er baat bij zouden hebben. ‘Dat laat zich moeilijk onderzoeken’, zegt Van Loon. ‘Je moet mensen op hetzelfde inspanningsniveau kunnen testen om ze goed te kunnen vergelijken en vind maar eens voldoende topsporters om hieraan mee te doen. Ik denk nu aan een onderzoeksconcept waarbij je bijvoorbeeld niet uitgaat van twintig sporters die je al dan niet bietensap geeft, maar een beperkt aantal atleten die je op verschillende manieren blootstelt aan natriumnitraat. Maar dat is nog in ontwikkeling.’

De buurman voorbij
Wat adviseert Van Loon alle Hollandse ambitieuze amateurs die denken wat beter te presteren op sportgebied, aangezien hij redelijk overtuigd lijkt van een effect van extra natriumnitraat op de zuurstofbehoefte? ‘Ja, het gaat eigenlijk tegen de tekstboekkennis in. Of je nu Lance (Armstrong, profwielrenner, red.), jou of mij op een fiets zet, bij een gelijk inspanningsniveau in absolute zin zal de zuurstofbehoefte nagenoeg gelijk zijn, maar het onderzoek laat toch een verminderde behoefte in combinatie met bietensap zien. Bij een zware inspanning, op meer dan 75 procent van je maximale vermogen, bij een inspanningsduur van minder dan tien minuten of een kwartier zou je er baat bij kunnen hebben als je een week lang ongeveer een halve liter bietensap of een bietensapconcentraat per dag inneemt. Maar de vraag is: wat is je doel? Wil je per se je buurman voorbij rennen op zaterdagochtend? Ja, dan zou het kunnen werken. Maar we moeten dat nog verder onderbouwen.’
Over de veiligheid van nitraat lijkt Van Loon zich niet zo’n zorgen te maken. ‘De terughoudendheid rond nitraatinname kwam door onderzoek dat aanwijzingen toont dat door de vorming van nitriet uit nitraat in combinatie met eiwitten nitrosaminen gevormd zouden kunnen worden, maar de bewijzen daarvoor zijn flinterdun, het onderzoek schaars. ‘Ik zal zeker niet adviseren om nu allemaal maar aan de supplementen te gaan. Voorop staat een goede basisvoeding. Als die niet ok is, en dat geldt ook voor (top)sporters, dan heeft een supplement niet veel zin. Om onderzoek meer wetenschappelijk te maken, werken we natuurlijk graag met pure stoffen, zoals natriumnitraat, maar ik ben er niet voor om zomaar het gebruik van pilletjes en poedertjes te stimuleren.’

Een positief nevenverschijnsel dat Van Loon na het innemen van bietensap bij zichzelf waarnam, is verlaging van de bloeddruk. ‘Onderzoek van brood met daarin verwerkte bieten laat dat ook al zien’, zegt Van Loon. ‘Zelf heb ik een aantal weken bietensap ingenomen en zag een mooie geleidelijke daling van mijn eigen bloeddruk. Het lijkt logisch dat een ontspanning van met name de perifere vaten bijdraagt aan dit effect. Maar ja, dat was n=1.’

Belang van beweging
Tijdens het gesprek benadrukt Van Loon andermaal het belang van beweging in combinatie met een goede voeding voor het behoud van spiermassa en spierkracht. ‘Voeding kan niet los gezien worden van beweging en beweging niet van de juiste aanvoer van nutriënten voor het behoud en herstel’, zegt hij. ‘Als ik jou twintig gram eiwit geef, dan draagt dat bij aan de opbouw van spieren, maar als ik je eerst een aantal trappen laat lopen en dan het eiwit aanbied, dan is de opbouw van spiermassa veel efficiënter. Eiwitten zijn in combinatie met beweging niet alleen bouwstenen voor de spieren maar ook stimulatoren van spieraanmaak. We kennen inmiddels een heel aantal moleculaire regelmechanismen van de spierstofwisseling, maar er zijn ook nog veel raadsels over het herstel van spiermassa. De rol van eiwitten zijn een toekomstig doel van ons onderzoek. Duidelijk is wel dat het belangrijk is dat patiënten een minimale hoeveelheid aan fysieke inspanning zouden moeten uitvoeren voor het consumeren van een maaltijd. Op die wijze worden de eiwitten in de voeding meer efficiënt gebruikt voor spieraanmaak. Het zou verboden moeten worden om mensen in bed te voeden indien ze nog in staat zijn op te staan en aan tafel te eten of zelfs te participeren in het voorbereiden van de maaltijd. Bij sporters is het toevoegen van extra eiwit in de voeding in veel gevallen niet nodig, omdat normale basisvoeding doorgaans al voldoende eiwitten bevat. Het gaat veeleer om de timing en de bron van de eiwitten. Voor herstel van spiermassa van een krachtsporter is eiwit na de inspanning belangrijk. Voor een duursporter die de volgende dag weer moet presteren is aanvoer van koolhydraten na de inspanning belangrijker.’

Als praktijkvoorbeeld gebruikt hij vaak een 140 kilo wegende zakenman van 45-jarige leeftijd die nauwelijks sport. ‘De enige affiniteit van deze denkbeeldige persoon met sport is dat hij regelmatig een energiedrankje koopt bij een tankstation’, grapt Van Loon. ‘Wat adviseer je zo iemand? Calorierestrictie en duurinspanning om zo snel mogelijk van de overtollige kilo’s buikvet af te komen. Krachtsinspanning doet deze man al dagelijks door zijn gewicht mee te torsen. Dat kan ik ook zien als we bij zulke types spierbiopten afnemen in ons ziekenhuis, vaak prachtig ontwikkelde spiervezels in de benen. Maar een fragiele oudere die spiermassa moet kweken, laat je natuurlijk niet alleen duurinspanning doen, daar moet de nadruk liggen op krachttraining.’

Hoe belangrijk inspanning is voor het behoud van spiermassa komt ook naar voren uit onderzoek van de groep van Van Loon met behulp van neuro-elektrische stimulatie van spieren. Dat gebeurt bij mensen die bepaalde lichaamsdelen niet meer kunnen bewegen of zelfs helemaal in coma zijn (met toestemming van de familie). Door elektrische pulsen wordt de spier gestimuleerd te bewegen. ‘Iemand die een week in bed ligt, bijvoorbeeld door een ziekenhuisopname, verliest ongeveer 1,4 kilo aan spierweefsel’, verduidelijkt Van Loon. ‘Een aio vroeg zich ooit af of dat veel was. Ik heb hem toen 1,4 kilo Argentijnse steak laten halen en die laten fotograferen. Ik kan je verzekeren dat het een hoop is. Het verlies van spiermassa bij inactiviteit is gigantisch, een been dat een week in het gips zit, verliest zo’n 350 gram. En het duurt vaak lang, zo’n half jaar intensieve training, voordat de spiermassa en kracht weer hersteld zijn in de oudere patiënt. Onze proeven met elektrische stimulatie laten tot nu toe zien dat spiermassa volledig behouden kan blijven als we deze, naast een adequate voeding, toepassen bij mensen in het gips of zelfs patiënten in coma. De spierkracht blijft natuurlijk niet behouden, maar het is al een enorme winst om de spiermassa te behouden. Hieruit leren we dat het voorkomen van spiermassaverlies erg belangrijk is. Onderhoud wat je nodig hebt en houd het bij door dagelijkse inspanning en bezigheden.’

BMI
Van Loon maakt nog de kanttekening dat de BMI als maat voor een gezond gewicht niet zaligmakend is voor de beoordeling van de gezondheid van een individu, daarvoor moet naar iedere specifieke situatie gekeken worden. ‘Voor ouderen zien we liever dat iemand een wat hogere BMI heeft, zij het dat het gewicht dan wel in de spiermassa moet zitten en niet in het vet. We zien de laatste tijd wel steeds vaker het tegenovergestelde; ouderen die een hoge BMI hebben in combinatie met een hoog vetgehalte. Vroeger waren het vooral dunne fragiele ouderen die wat meer spiermassa zouden moeten hebben. Nu hebben ouderen vaak gewicht genoeg, maar ontbreekt het aan spiermassa. Ook mensen die op een gezond gewicht willen komen door af te vallen en meer te bewegen, moeten beseffen dat zeker in het begin van een afvalperiode de BMI kan stijgen als door beweging de spiermassa toeneemt, spieren zijn zwaarder dan lichaamsvet.’

Diabetes
Een deel van het onderzoek van de onderzoeksgroep van Van Loon richt zich nog op diabetes en de invloed van voeding en inspanning daarbij. ‘Er is veel discussie over welke voeding goed of slecht is voor je bloedglucosewaarden of insulinegevoeligheid. De discussie over wel of geen ontbijt komt voort uit de vraag of je het al dan niet moet laten staan voor je glucoserespons. Wij concluderen, uit diverse onderzoeken, dat beweging en inspanning bloedglucosepieken ten allen tijde kunnen compenseren. Of je nu dagelijks een half uur intensief of een uur matig beweegt, het positieve effect op de bloedglucosewaarden en insulinesensitiviteit is hetzelfde en aanwezig, tot zelfs 48 uur na de inspanning. Voordeel van inspanning is dus dat het altijd goed voor je is, voor iedereen, nadeel is dat je het altijd moet blijven doen om het positieve effect te blijven vasthouden. Het maakt daarbij niet zoveel uit voor welke vorm van beweging je kiest.’

Van Loon die ook in de werkgroep lichamelijke activiteit van de Gezondheidsraad zat, discussieerde daar mee over de beweegnorm die als aanbeveling voor de gemiddelde Nederlander kan gelden. ‘Dat zijn best lastige discussies’, zegt hij. ‘Op dit moment is het voor veel mensen nog niet duidelijk of alle beweging meetelt, zoals het boodschappen doen op de fiets of dat het gaat om een aparte oefening. Voor iemand die dagelijks een uur naar zijn werk fietst is de beweegnorm anders dan voor iemand die de hele dag achter zijn computer zit, zoals ik. Hoewel het een slag in de lucht is, sta ik achter een norm van een half uur bewegen per dag omdat deze in de praktijk voor iedereen haalbaar zou moeten zijn. Maar als je het me persoonlijk vraagt, dan zeg ik dat je dagelijks een uur actief moet bewegen, met een half uur intensieve inspanning bovenop je normale activiteiten. Waar ben ik blij mee? Met alle inspanning.’

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 1/2 van januari/februari 2015 op bladzijde 8

 

Reageer op dit artikel