artikel

‘Focus op individuele voedingsstoffen brengt mensen in verwarring’

Voedingswetenschap

‘Focus op individuele voedingsstoffen brengt mensen in verwarring’

‘We moeten ons niet meer concentreren op verzadigd vet, eigenlijk helemaal niet meer op individuele voedingsstoffen, maar op de gezonde alternatieven. Weg van de gekunstelde light-producten die afleiden van wat werkelijk goed voor ons is.’ Een uitspraak van de Amerikaanse cardioloog en onderzoeker Dariush Mozaffarian uit Boston, die sprak tijdens het symposium ‘Of Fats and Foods’, gehouden ter gelegenheid van het afscheid van professor Daan Kromhout als hoogleraar volksgezondheidsonderzoek.

Voor de gelegenheid waren enkele toponderzoekers op het gebied van hart- en vaatziekten ingevlogen. Ook spraken enkele (oud)collega-onderzoekers van Daan Kromhout met wie hij onder andere aan de Zeven Landen Studie werkte (zie kader). De lezing van Dariush Mozaffarian viel op door zijn harde uitspraken over de rol van verzadigd vet in de voeding. Terwijl de aanbeveling van de Gezondheidsraad nog op 10 energieprocent ligt, waarnaar gezondheidsvoorlichters van onder meer het Voedingscentrum en de Hartstichting zich richten, wuift Mozaffarian de bezorgdheid rond verzadigd vet resoluut van de hand. ‘Er zijn in mijn optiek geen bewijzen die een limiet voor verzadigd vet voldoende ondersteunen’, licht hij na zijn lezing toe. ‘Mensen die erg hoge niveaus consumeren hebben hetzelfde risico rond hart- en vaatziekten als mensen die de laagste inname verzadigd vet consumeren. Het is dus niet goed of slecht voor je, het is irrelevant. Het gaat om het type voedsel dat je inneemt, daar hangt het effect op de gezondheid van af; hoe je verzadigd vet vervangt, door welk type ander (verzadigd) vet. Het is complex.’

Volgens Mozaffarian wordt rond verzadigd vet nog te lang vastgehouden aan oude concepten. De aandacht zou wat hem betreft van verzadigd vet moeten worden afgeleid en gericht moeten worden op de inname van voedingsmiddelen waarvan we weten dat ze gezond zijn. Boosdoeners noemt hij producten als bewerkt vlees (met veel zout) of levensmiddelen met veel energie. ‘Ik denk dat een specifieke richtlijn over verzadigd vet juist averechts kan werken voor de volksgezondheid. Als mensen verzadigd vet zo min mogelijk gaan eten, denken ze gezond bezig te zijn, maar dat hoeft niet zo te zijn. Als ze hierdoor naar koolhydraatrijke en sterk geraffineerde voeding worden geleid, en producten laag in vet vervangen door bijvoorbeeld producten die rijk zijn aan zetmeel, dan zijn ze niet goed bezig.’

Aardappel
Tijdens zijn lezing benadrukte Mozaffarian de zinloosheid van de focus op individuele voedingsstoffen. ‘Het brengt mensen in verwarring en leidt ze af van wat werkelijk belangrijk is, het gaat om het hele voedingsmiddel en het hele eetpatroon. Het is belangrijker de gezonde keuze te sturen op maaltijden die rijk zijn aan bijvoorbeeld fruit, noten, vis en plantaardige olie, in plaats van bewerkte vleesproducten, zoutrijke maaltijden of geraffineerde granen.’

Hoewel de Amerikaanse onderzoeker de focus van individuele voedingsmiddelen wil afleiden, ontkwam de aardappel niet aan zijn kritiek. Deze ‘bom’ van calorierijk zetmeel, zonder al te veel overige gunstige eigenschappen, mag wat hem betreft uit het menu. Het kwam hem wel op kritiek te staan vanuit het Nederlandse publiek. ‘Waarom de aardappel zo verguizen?’ In de Hollandse eetcultuur, waarin de aardappel doorgaans met andere gezonde maaltijdcomponenten wordt gegeten, is deze zorg niet terecht, vond een toehoorder. ‘Als het om koolhydraten gaat, moet je onderscheid maken tussen de bronnen van deze koolhydraten en hoe ze worden aangeboden’, zegt Mozaffarian. ‘Ik maak me werkelijk zorgen over zetmeel en suikers in de voeding. De helft van de calorieën in de meeste diëten komt hiervandaan. Ook volle granen hebben een aura van gezondheid vanwege het lage vetgehalte, maar er zijn veel verschillen. Een belangrijke vraag is hoe we toe kunnen groeien naar minder geraffineerd voedsel dat vaak te hoge gehaltes zetmeel en/of suiker bevat. Maar ook hierbij geldt dat een focus alleen op bijvoorbeeld toegevoegde, enkelvoudige suikers, te kortzichtig is. Veel producten hebben toegevoegde suiker, maar het is belangrijker te letten op 100 procent geraffineerde zetmeel.’

Belastingmaatregelen
De cardioloog ging tijdens zijn voordracht verder in op de domeinen van zijn groep aan Tufts University Dean, Friedman School of Nutrition Science & Policy in Boston. Behalve op de relaties tussen voeding, hart- en vaatziekten en diabetes, is deze gericht op het effect van beleidsmaatregelen om een gezondere voedingsinname te bereiken. ‘Ik denk dat belastingmaatregelen sterk kunnen bijdragen aan een lagere inname van ongezonde voeding en daarnaast kunnen subsidies helpen de inname van gezonde voeding te verhogen’, bracht Mozaffarian verder naar voren. ‘Volgens onze bevindingen werkt een combinatie van beide het best. Een belasting op bijvoorbeeld frisdrank, zoals in Frankrijk, zal maar een klein effect hebben op de consumptie, maar als het geld gebruikt wordt voor leefstijlprogramma’s kan het effect groter worden. Ik ben er vóór omdat het publiek, maar ook de beleidsmakers en producenten, hierdoor aangezet worden om na te denken over gezonde alternatieven en de werkelijke kosten voor de gezondheidszorg.’

De kansen voor frisdranken- of andere voedingstax in zijn thuisland Amerika ziet hij niet zo rooskleurig in. ‘De publieke en private sector zijn sterk gepolariseerd in de Verenigde Staten (VS). Dat wordt weerspiegeld in de politiek, maar als wetenschappers erin slagen zowel de conservatieven als democraten te overtuigen van het feit dat het bij ongezonde voeding om een kwestie van nationale veiligheid gaat en dat het een economisch- en gezondheidsissue is, dan schat ik de kans hoger in. Ik ben optimistisch voor de komende vijf tot tien jaar.’ 

Richtlijnen goede voeding
Veel mensen, ook in de VS, eten niet volgens de richtlijnen voor een goede voeding. Hoe denkt Mozaffarian dat deze gang van zaken gekeerd kan worden? ‘Ik denk dat het een illusie is te denken dat we onze voedingskeuze individueel maken. Onze keuze voor eten wordt door veel zaken bepaald en hangt samen met onder andere opvoeding, opleiding, welvaart, persoonlijke voorkeuren, onze vrienden, de beschikbaarheid van voedsel, het werk, de school, de internationale politiek, klimaatverandering, business, marketing … Het helpt om mensen te vertellen wat ze zouden kunnen of moeten eten voor hun gezondheid, maar het is een klein effect. Als we echt impact willen hebben, moeten we de complete voedingsomgeving aanpakken, met programma’s op school of werk, economische stimulatie, verandering van landbouwbeleid, wetgeving (voor zout bijvoorbeeld); alleen een combinatie van al deze zaken zal tot een andere voedingsinname bij het publiek kunnen leiden.’

Tijdens zijn lezing maakte hij de vergelijking met het aantal verkeersslachtoffers. Afgemeten aan het toegenomen aantal kilometers dat gereden wordt, is het aantal verkeersdoden sinds de invoering van de auto in de afgelopen eeuw met negentig procent teruggedrongen. ‘Dat kwam niet alleen omdat we vertelden dat mensen beter moesten gaan rijden’, weet Mozaffarian. ‘Dat gebeurde door het sterk aanpassen van de auto’s (ze werden veiliger), het veiliger maken van de wegen, de opleiding van de automobilist en de cultuur eromheen (niet dronken rijden bijvoorbeeld). We houden nog steeds van onze auto’s, verkopers maken nog steeds winst. Als we deze lessen op voeding toepasbaar maken, dan kunnen we succesvol zijn. Het gaat om een integrale aanpak op lange termijn.’

Bloeddruk
De eerste lezing tijdens het afscheid rond Kromhout kwam van onderzoeker Marianne Geleijnse van Wageningen Universiteit. Als een eerbetoon haalde zij de onderzoeksgebieden aan waarin Kromhout een significante rol heeft gespeeld. Centraal in haar voordracht stond de relatie tussen voeding en hart- en vaatziekten, met nadruk op de bloeddruk, die gezien wordt als de belangrijkste risicofactor voor hart- en vaatlijden. Geleijnse liet zien dat gedurende het leven van de westerse mens de bloeddruk allengs stijgt en dat preventie al op jonge leeftijd zou moeten beginnen. ‘Al moeten we wel in ogenschouw nemen dat de helft van alle cardiovasculaire incidenten bij mensen met een normale bloeddruk plaatsvindt’, aldus Geleijnse.

Als voorbeeld bracht ze de Yanomami-Indianen uit Brazilië naar voren. Gedurende het leven van de stamleden stijgt de bloeddruk niet. Kenmerkend is dat ze geen obesitas kennen, fysiek actief zijn, geen alcohol gebruiken, een hoge inname van plantaardige voeding hebben en geen zout innemen. Een ideale situatie, maar wat als je wel overgewicht hebt, inactief bent of wel alcohol gebruikt? Hoewel de bloeddruk stijgt gedurende het leven van de westerse mens, zijn er volgens Geleijnse tal van aanknopingspunten waarop ingegrepen kan worden om het tij te keren: gewichtsverlies, beweging, minder zout, meer kalium, meer fruit en groente, meer vollegranen in plaats van geraffineerde granen, minder alcohol, minder suikerrijke dranken, meer magere zuivel en een toename van noten, peulvruchten, cacao, thee en vis. Allemaal factoren die bij kunnen dragen aan een verlaging van de bloeddruk, die mede door het werk van Kromhout cum suis zijn bevestigd. ‘Onderzoeken laten zien dat gewichtsreductie vrijwel direct leidt tot een lagere bloeddruk’, illustreerde Geleijnse aan de hand van een meta-analyse. ‘Opvallend daarbij is dat bariatrische chirurgie, waarbij een veel groter gewichtsverlies optreedt, niet tot meer bloeddrukdaling leidt dan een conventioneel afvalprogramma. Dit doet vermoeden dat het niet alleen om de kilo’s gaat, maar juist om een gezonde voeding en leefstijl.’

Opvallend zijn ook de door haar gepresenteerde uitkomsten van een studie naar de relatie tussen zout- of kaliuminname en de bloeddruk. In een gecontroleerde voedingsproef werd bij volwassenen gedurende vier weken middels pillen de zoutinname verhoogd tot 12 g/dag, danwel de kaliuminname verhoogd tot 5g/dag. Een 24-uurs-bloeddrukmeting (systolisch) liet een stijging zien bij de zoutinnemers met 7mm kwik en een daling van 4mm kwik bij de kaliuminnemers, ten opzichte van de placeboperiode (5 g/dag zout en 2 g/dag kalium), een totaalverschil van 11 mm kwik.

Geleijnse haalde verder onderzoeken aan die aantonen dat een verlaging van de bloeddruk te bereiken is met onder andere een hogere inname van fruit, vollegranen, en bonen. ‘Een handje amandelen of pistachenoten per dag laat volgens een aantal meta-analyses ook een daling van de bloeddruk zien, bij walnoten was het effect minder sterk’, aldus Geleijnse.

En ze zoomde nog in op epicatechine, een vertegenwoordiger uit de polyfenolengroep, dat voorkomt in cacao. ‘Mede door de bevindingen van de onderzoeksgroep van Kromhout weten we nu dat de inname van een paar pure chocolade-eitjes per dag de conditie van onze bloedvaten kunnen verbeteren. Het heeft zelfs tot krantenkoppen geleid als “chocolade in plaats van een bypass”.’

Ridderorde voor Daan Kromhout
Na afloop van het symposium werd professor Daan Kromhout (1950) benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij kreeg de bijbehorende versierselen opgespeld door Burgemeester Rob Metz van Soest. Een ridderorde is bedoeld voor personen die zich hebben onderscheiden door een uitzonderlijke wetenschappelijke prestatie.

Kromhout was lange tijd hoogleraar Volksgezondheidsonderzoek in Wageningen. Daarnaast is hij sinds 2005 vice-voorzitter van de Gezondheidsraad. In 2009 benoemde de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen hem tot Akademiehoogleraar. Hij publiceerde regelmatig in invloedrijke wetenschappelijke tijdschriften zoals de New England Journal of Medicin, de Journal of the American Medical Association en The Lancet. In binnen- en buitenland kreeg hij diverse prijzen voor zijn onderzoeksprestaties.

Tijdens zijn afscheidsrede brak Kromhout een lans voor epidemiologisch voedingsonderzoek, dat volgens hem moet doorgaan, ook al is er niet altijd financiering voor. Hij verwees daarbij naar een voorbeeld uit zijn eigen onderzoekscarrière, waarin hij ‘oude’ epidemiologische data opnieuw liet analyseren om (in combinatie met nieuw onderzoek) tot nieuwe bevindingen te komen. Zo leverde deze denkwijze informatie op over de relatie tussen vette vis, cacao en gezondheid van hart- en vaten.

Zeven Landen Studie
Kromhout hield zich ruim dertig jaar lang bezig met de rol die het eet- en leefpatroon heeft bij het veroorzaken en het voorkomen van hartaanvallen. In Nederland ging hij in 1978 de zogeheten Zutphen Studie leiden, waarbij honderden mannelijke inwoners van Zutphen vanaf 1960 werden gevolgd wat betreft hun eet- en leefpatroon en hun gezondheid. Ook werd hij een van de leidende figuren van de zogeheten Zeven Landen Studie waarin aan Zutphen vergelijkbaar onderzoek werd gedaan, in de VS, Finland, Italië, voormalig Joegoslavië, Griekenland en Japan. De Zeven Landen Studie, die meer dan vijftig jaar omvat, heeft tien boeken en meer dan 500 publicaties opgeleverd rond de oorzaken van hart- en vaatziekten. (www.sevencountriesstudy.com).

De Zutphen- en de Zeven Landen Studie tonen volgens Kromhout aan dat het traditionele mediterrane voedingspatroon van de jaren zestig – bestaande uit veel olijfolie, volkorenbrood, groente, fruit, peulvruchten, regelmatig vis en niet te veel rood vlees en zuivelproducten – gunstig is, niet alleen voor hart- en vaatziekten maar ook voor alle doodsoorzaken.

Kromhout concludeerde in zijn afscheidsrede dat 30 jaar onderzoek naar de relatie tussen vis, omega-3 vetzuren en fatale hartziekten heeft geleerd dat bij gezonde mensen het eenmaal per week eten van vette vis het risico op fatale hartziekten verlaagt, maar dat het aanvullend aanbieden van omega-3 vetzuren aan hartpatiënten die volgens de laatste medische inzichten worden behandeld het risico op hart- en vaatziekten niet verder terugdringt.

Een ander terrein waarop Kromhout c.s. meer dan 25 jaar onderzoek deed, was dat naar flavonoïden en hart- en vaatziekten. Flavonoïden komen onder meer voor in thee, chocola en appels. Onlangs heeft het team van Kromhout in een interventieonderzoek laten zien dat de flavonoïde epicatechine risicofactoren voor hart- en vaatziekten gunstig beïnvloedt. Hoewel het onderzoek naar flavonoïden tot nu toe veelbelovende resultaten heeft opgeleverd, staat het nog in de kinderschoenen, stelt hij.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 7/8 van juli/augustus 2015 op bladzijde 8

Reageer op dit artikel