artikel

De invloed van voeding op onze botten *

Voedingswetenschap

De invloed van voeding op onze botten *

Erfelijkheid is de belangrijkste factor voor sterke botten. Het bepaalt voor 60 tot 80 procent de variatie in piekbotmassa, oftewel de maximale botdichtheid. Daarnaast zijn beweging en een gevarieerde voeding met onder andere voldoende calcium en vitamine D van belang voor de groei en het behoud van botmassa. De botmassa die wordt gevormd op jonge leeftijd is bepalend voor de botsterkte op oudere leeftijd.

Een voedingspatroon met basisvoedingsmiddelen zoals groente, fruit, brood, melk(producten), vis en vlees is van belang voor de inname van voldoende voedingsstoffen en legt samen met voldoende beweging de basis voor een gezond lichaam (1). Als het gaat om de botgezondheid zijn de kinderjaren en de puberleeftijd essentieel voor de opbouw van botmassa. De International Osteoporosis Foundation geeft aan dat een toename van 10% in de piekbotdichtheid van kinderen de kans op een osteoporotische breuk op latere leeftijd met 50 procent verlaagt (2). De variatie in piekbotmassa wordt voor 60-80 procent bepaald door genetische factoren. Hiernaast zijn leefstijlfactoren als voeding en beweging van belang voor de opbouw van botmassa (3).

Botmassa
De botmassa bestaat uit een matrix van eiwit, die gevuld is met calciumfosfaat en andere mineralen zoals natrium, magnesium, kalium en zink. Gedurende het leven wordt botweefsel constant afgebroken (resorptie) en weer opgebouwd (formatie). Dit om te herstellen na kleine beschadigingen en om de stevigheid aan te passen aan de mate van de belasting op het bot. Vanaf de geboorte tot ongeveer dertig jaar is de botopbouw groter dan de botafbraak en neemt de botdichtheid toe, met als resultaat een maximale piekbotdichtheid. Ongeveer 95 procent van het volwassen skelet is al aan het einde van de adolescentie gevormd. Met name tijdens de puberteit neemt de botmassa flink toe; gemiddeld 40-60 procent van de botmassa op volwassen leeftijd wordt in deze periode gevormd. Bij meisjes is dit piekmoment gemiddeld op een leeftijd van 12,5 jaar, bij jongens op 14,0 jaar. Vanaf een jaar of vijftig is de afbraak groter dan de opbouw, wat resulteert in een netto afname van de botdichtheid. Bij vrouwen gaat dit proces door veranderingen in de hormoonhuishouding sneller dan bij mannen (2-5). Op tachtigjarige leeftijd is bij vrouwen de oorspronkelijke piekbotmassa afgenomen met gemiddeld 40-45 procent, bij mannen is de afname gemiddeld 30 procent (6).

Calcium
Calcium is een belangrijke bouwsteen voor de botten. In totaal is 99 procent van het calcium in het lichaam opgeslagen in het bot (7). Melk(producten) en kaas zijn een belangrijke calciumbron in Nederland en dragen samen voor bijna 60 procent bij aan de totale calciuminname (8). Voor onder andere kinderen (9-18 jaar) is de calciumaanbeveling hoger dan voor volwassenen vanwege de groeispurt en de hiermee verhoogde calciumbehoefte. De adequate inname is bij deze leeftijdsgroep vastgesteld op 1200 mg calcium per dag voor jongens en 1100 mg calcium voor meisjes (9). Uit de Voedsel Consumptie Peiling 2007-2010 blijkt dat de inname van calcium in de leeftijdsgroep 14-18 jaar lager dan de aanbeveling is, namelijk 1010 mg (jongens) en 876 mg (meisjes) calcium per dag. Dit is te verklaren door de lagere inname van melk(producten) in deze leeftijdscategorie: jongens consumeren gemiddeld 355 ml melk(producten) en meisjes 297 ml (8). De aanbeveling voor jongens en meisjes tussen de 14 en 18 jaar is 600 ml (1).

Samenwerking
Naast calcium zijn ook vitamine D, eiwit en fosfor van belang voor het behoud van botmassa (2). Deze voedingsstoffen zijn onderdeel van de botmatrix, of dragen in het geval van vitamine D bij aan de opname van calcium. Calcium wordt in het darmkanaal zowel actief als passief opgenomen. Het actieve proces is afhankelijk van calcitriol (1,25-dihydroxy vitamine D). Dit is het biologische actieve vitamine D. Calcitriol stimuleert de opname van calcium en fosfaat uit de darm, al naar gelang de calciumbehoefte van het lichaam. Samen met het parathyroïd hormoon (PTH) uit de bijschildklieren regelt calcitriol ook het vrijmaken van calcium uit het bot en de uitscheiding van calcium door de nieren (7). Vitamine D heeft ook een direct effect op de vorming van osteoclasten (botresorptiecellen). Eiwit in de voeding verhoogt de aanmaak van IGF-1 in veel organen, met name de lever. Doordat IGF-1 ook de calcitriol activering in de nieren verhoogt, wordt de beschikbaarheid van calcium en fosfor in het lichaam hoger (10,11). Kortom, verschillende voedingsstoffen werken in het lichaam samen en kunnen bovendien een synergistische werking hebben. Een focus op de individuele inname van deze voedingsstoffen geeft daarom geen volledig beeld.

Voedingspatroon
Maar wat is dan het gunstigste voedingspatroon voor een optimale botsterkte? Een deelonderzoek binnen de Rotterdamse cohortstudie ‘Generation R’ onderzocht de relatie tussen voedingspatronen op jonge leeftijd en de botsterkte op de leeftijd van 6 jaar. ‘Uit dit onderzoek blijkt dat peuters die een voeding rijk aan zuivelproducten en kaas, volkorengranen en eieren gebruiken, een hogere botdichtheid hebben op 6-jarige leeftijd. Dit voedingspatroon bevat nutriënten die gunstige effecten kunnen hebben op botsterkte. Zuivel levert bijvoorbeeld calcium, magnesium en eiwitten van hoge kwaliteit en volkorengranen leveren magnesium, ijzer en B-vitamines’, aldus Edith van den Hooven, postdoc onderzoeker Epidemiologie aan het Erasmus MC (12). Een andere Nederlandse studie, uitgevoerd in de jaren negentig, onderzocht het verschil in botsterkte tussen kinderen (9-15 jaar) die een macrobiotisch voedingspatroon volgden en kinderen die een ‘gemiddeld’ Nederlands voedingspatroon volgden. Hieruit bleek dat de kinderen met een voedingspatroon zonder zuivel en vlees, maar met hoofdzakelijk granen, peulvruchten, groenten en kleine hoeveelheden zeewier, gefermenteerde voedingsmiddelen, noten, zaden en fruit een lagere botdichtheid hadden (13). In het buitenland laat een Koreaanse studie onder kinderen (9-11 jaar) zien dat een voedingspatroon met fruit, noten, melk, eieren en granen is geassocieerd met een relatief hogere stijging in de botdichtheid dan een voedingspatroon met hoofdzakelijk eieren en rijst. Dit bleek na een onderzoeksperiode van 22 maanden (14).

Zuivel
Zuivel lijkt dus een belangrijke rol te spelen in een gezond en gevarieerd voedingspatroon bij het opbouwen van de botmassa. Dit wordt ook gezien in een recente literatuurreview van interventie- en observationele studies. De onderzoekers concluderen dat de consumptie van zuivel is geassocieerd met een hogere opbouw van botmassa bij kinderen en adolescenten (2-19 jaar). Dit verband is volgens de onderzoekers onder andere toe te schrijven aan de mineralen calcium en fosfor in zuivel (15).

Kortom, voor botgezondheid gedurende het leven is met name de periode van botopbouw tijdens de kinderjaren en puberleeftijd van belang. Aandacht voor een gezond voedingspatroon bestaande uit voldoende basisvoeding is belangrijk, waarbij vooral een adequate inname van calcium, vitamine D, fosfor en eiwit essentieel is.

Referenties

  1. Voedingscentrum (2011). Richtlijn Voedselkeuze. Voedingscentrum, Den Haag.
  2. International Osteoporosis Foundation (2001). Invest in your bones. How diet, life style and genetics affect bone development in young people. International Osteoporosis Foundation, 2001. Zwitserland, Nyon.
  3. Rizzoli. R. et al. (2010). Maximizing bone mineral mass gain during growth for the prevention of fractures in the adolescents and the elderly. Bone, 2010; Vol. 46, pp. 294-305.
  4. International Osteoporosis Foundation (2013). Bone care for the postmenopausal woman. International Osteoporosis Foundation 2013. Zwitserland, Nyon.
  5. Golden, N.H. et al. (2014). Optimizing Bone Health in Children and Adolescents. American Academic of Pediatrics, 2014. doi:10.1542/peds.2014-2173
  6. Boek Mahan & Escott-Stump, 2004
  7. ILSI (1999). Calcium in nutrition. ILSI Europe Concise Monograph Series. International life sciences institute, Brussel, België, 1999.
  8. Rossum, van, C.T.M., Fransen, H.P., Verkaik-Kloosterman, J., Buurma-Rethans, E.J.M. en Ocke, M.C. (2011). Voedselconsumptiepeiling 2007-2010 (2011). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2011, Bilthoven.
  9. Gezondheidsraad (2000). Voedingsnormen calcium, vitamine D, thiamine, riboflavine, niacine, pantotheenzuur en biotine. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000. Nr. 2000/12.
  10. Bonjour, J.P. et al (2013). Dairy in adulthood: From foods to nutrient interactions on bone and skeletal muscle health. Journal of the American College of Nutrition, 2012; Vol. 32, No. 4, pp. 251–263.
  11. IOM (2011). Dietary Reference Intakes for Calcium and Vitamin D. Institute of Medicine (US) Committee to Review Dietary Reference Intakes for Vitamin D and Calcium Washington (DC): National Academies Press (US); 2011. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/NBK56061.
  12. Hooven, van den, E.H. et al (2015). Infant dietary patterns and bone mass in childhood: the Generation R Study. Osteoporos Int, 2015; 26:1595–1604.
  13. Parsons, T.J. et al (1997). Reduced Bone Mass in Dutch Adolescents Fed a Macrobiotic Diet in Early Life. Journal of bone and mineral research. Volume 12, Number 9, 1997
  14. Noh, H.J. et al. (2011). Dietary patterns are associated with physical growth among school girls aged 9-11 years. Nutrition Research and Practice, 2011; 5(6):569-577.
  15. Dror, D.K. en Allen, L.H. (2013). Dairy product intake in children and adolescents in developed countries: trends, nutritional contribution, and a review of association with health outcomes. Nutrition Reviews. doi:10.1111/nure.12078.
  16. EFSA NDA Panel, 2015. Scientific Opinion on Dietary Reference Values for calcium. EFSA Journal 2015;13(5):4101, 82 pp. doi:10.2903/j.efsa.2015.4101


Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 9 van september 2015 op bladzijde 8

Reageer op dit artikel