artikel

Afscheid Frans Kok – ‘Nederland zou wereldwijd gidsland moeten zijn om de voedselomgeving gezonder te maken’ *

Voedingswetenschap

Afscheid Frans Kok – ‘Nederland zou wereldwijd gidsland moeten zijn om de voedselomgeving gezonder te maken’ *

‘Wie wil er later hoogleraar worden?’, vroeg professor Frans Kok (65), hoofd van de afdeling Humane Voeding, in een van zijn laatste colleges aan 140 eerstejaarsstudenten, die begin van dit collegejaar met hun studie Voeding en Gezondheid aan Wageningen Universiteit begonnen. Twee staken hun vinger op. ‘Stoer’, vindt Kok, ‘we hebben in Nederland behoefte aan getalenteerde jonge mensen die hun hoofd boven het maaiveld uit durven steken.’

Zelf had Frans Kok niet direct het idee dat hij professor zou worden toen hij in 1972 Humane Voeding ging studeren aan de Landbouwhogeschool van Wageningen. Dat hij met voeding en gezondheid door wilde was hem wel al duidelijk geworden. Voor Kok naar de toenmalige Landbouwhogeschool ging, studeerde hij af als levensmiddelentechnoloog aan de Hogere Agrarische School in Den Bosch. ‘Eigenlijk vond ik daar maar één vak echt interessant’, zegt hij. ‘En dat was het uurtje in de week voedingsleer dat gegeven werd aan de hand van het prismaboek Nieuwe Voedingsleer van professor Cees den Hartog. Wat voeding met je doet in je lichaam boeide mij veel meer dan de verwerking van voedsel. Het is leuk om te weten hoe je van aardbeien een potje jam maakt, maar het is nog leuker te weten wat die jam in je lichaam doet.’

Zijn vader probeerde de jonge Frans nog te bewegen om na de HAS aan het werk te gaan, met zo’n goede opleiding als levensmiddelentechnoloog moest dat geen probleem zijn, maar de diepere nieuwsgierigheid naar de relaties tussen voeding en de mens won het. Hij was al vroeg geïnteresseerd in de levende natuur en de rol van voeding daarbij. Bij hem thuis in Ulft hadden ze kippen en de eieren werden aan huis verkocht. Ook een moestuin, die hij op latere leeftijd ook weer zelf zou hebben, werkte aan zijn keuze mee. ‘Ik denk toch dat je anders tegen sperziebonen aankijkt als je als kind al hebt gezien hoe deze groeien. En misschien speelde onbewust ook mee dat mijn vader een maagprobleem had en goed moest letten op wat hij at.’

Hartstichting
Twintig jaar nadat Kok in Wageningen met zijn studie begon, werd hij voltijds hoogleraar op het terrein van voeding en gezondheid met als specialisatie epidemiologie, en vijf jaar later werd hij zelf hoofd van de afdeling Humane Voeding. Daar nam hij het stokje over van toenmalig voorzitter arts-voedingsonderzoeker professor Jo Hautvast, die net als Kok in 1972 in Wageningen begon, maar dan als hoogleraar en hoofd van de afdeling. Hautvast op zijn beurt was de opvolger van Cees den Hartog, van het prismaboek waar Kok op de HAS les uit kreeg.

Onder Hautvast begon Kok zijn onderzoekscarrière. Deze begon al tijdens zijn afstuderen met de voortzetting van een deelstudie naar risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Kok breidde deze studie later uit in samenwerking met de Hartstichting en promoveerde erop in 1982. ‘Er waren veel data, verzameld via een landelijke steekproef van bijna 2000 volwassen Nederlanders, die ik nog met ponskaarten moest verwerken’, verhaalt Kok. ‘De epidemiologie stond nog in de kinderschoenen en die term werd nog nauwelijks gebruikt.’ Het promotieonderzoek gebeurde bij de Hartstichting, waar hij na zijn studie in Wageningen ging werken. ‘Mijn taak was primair de coördinatie van vijftien diëtisten die namens de Hartstichting preventieve voorlichting gaven. Daarnaast kreeg ik de gelegenheid om aan mijn proefschrift te werken naar voeding, leefstijl en de preventie van hart- en vaatziekten. Samen met collega’s brachten we associaties tussen voeding, leefstijl en gezondheid in kaart en we publiceerden er onder andere over in The American Journal of Public Health. Dat was bijzonder, omdat dat tot dan toe nog niet zo vaak gedaan werd. ’

Dure pampers
Van de Hartstichting kreeg Kok enkele jaren na zijn aanstelling een fellowship om een jaar aan Harvard University in de Verenigde Staten een mastergraad in de epidemiologie te gaan halen. Daar was juist door Walter Willett de befaamde voedselfrequentievragenlijst ontworpen, die ingebracht werd in de Nurses Health Study, een cohortonderzoek bij 120.000 Amerikaanse verpleegsters. Aan Harvard waren onderzoekstechnieken en -methoden ontwikkeld waarmee betere data-analyse van epidemiologisch onderzoek mogelijk was, zoals het corrigeren voor confounders. ‘Alles in de VS was toen erg duur’, herinnert Kok die tijd zich. ‘De dollar stond enorm hoog ten opzichte van de gulden, een armzalig ontbijtje kostte omgerekend twintig gulden. Ik was daar met mijn vrouw en twee kleine kinderen; de fellowshipsubsidie ging voor een aanzienlijk deel op aan pampers, maar het was een fantastische tijd en ik heb er veel geleerd.’

Uit Boston bracht Kok het onderwerp voor zijn postdoc periode bij de Erasmus Universiteit mee: de relatie tussen antioxidanten, zoals selenium, vitamine E en hart- en vaatziekten. Een onderzoeksonderwerp dat hij in zijn latere carrière nog verder uitbouwde. Het kreeg een vervolg in een Europa brede multicenterstudie. Hierin werden verschillende antioxidanten onderzocht in relatie tot hart- en vaatziekten en borstkanker. De onderzoeksresultaten verschenen in toonaangevende tijdschriften zoals The Lancet en de New England Journal of Medicine.                                                            

‘Aan Nederlandse universiteiten was er in die tijd veel behoefte aan epidemiologische kennis’, zegt hij. ‘Na mijn tijd in Rotterdam, ging ik in deeltijd epidemiologie doceren in Wageningen.’ Daarnaast werkte Kok voor TNO in Zeist, waar hij onderzoek deed rond antioxidanten. Ook zette hij diverse andere researchprojecten op, onder meer rondom homocysteïne, B-vitamines en vroegtijdige coronair atherosclerose, en het effect van extra bèta-caroteen op DNA-schade bij ‘zware rokers’.
In 1992 werd hij hoogleraar epidemiologie en hoofd van de vakgroep Gezondheidsleer van Wageningen Universiteit. Gesprekken met Hautvast om een gedeelte van de vakgroep Gezondheidsleer samen te voegen met Humane Voeding volgden enkele jaren later. In 1997 was de fusie compleet.

Voeding in Afrika en Azië
Sinds zijn aanstelling als hoofd van de afdeling Humane Voeding in 1997 merkt Kok dat de belangstelling voor voeding zowel op de universiteit als daarbuiten sterk is gegroeid. ‘Er is in de afgelopen tien tot vijftien jaar steeds meer aandacht voor voeding in de maatschappij gekomen. Meer mensen zijn gaan inzien hoe belangrijk voeding is voor behoud van gezondheid en preventie van ziekten. Dit heeft jonge mensen gestimuleerd om zich bij ons aan te melden als student. Ook kregen de gezondheidsgevolgen van obesitas meer belangstelling vanuit maatschappelijke organisaties en de politiek, vooral als het ging om kinderen met overgewicht en obesitas. Parallel aan deze ontwikkelingen is ook de aandacht vanuit het buitenland voor onze studie gegroeid. Die is vooral ingegeven door de ontwikkelingen rond ‘hidden hunger’, die duidt op tekorten aan micronutriënten in de voeding, zoals ijzer, vitamine A, jodium, zink en foliumzuur. Door de internationale master die we nu aanbieden, trekken we veel buitenlandse studenten. Vorig jaar is er vanwege de te grote aantallen bachelor studenten die zich aanmelden overgegaan tot het instellen van een numerus fixus voor bachelors Voeding en Gezondheid.’

Kok voorziet dat de belangstelling voor voeding niet snel zal afnemen, aangezien de wereldwijde problematiek rond voeding niet van vandaag op morgen is opgelost. Ook komen er nieuwe problemen bij, wat zijn weerslag heeft op het onderzoek dat gedaan wordt aan de afdeling Humane Voeding. Internationaal wijst Kok op het probleem van stunted obesity. Dit speelt vooral in de regio’s Azië en Afrika en is het gevolg van tekorten aan energie, eiwit en/of micronutriënten tijdens de zwangerschap. ‘Hierdoor kunnen organen van kinderen zich niet goed ontwikkelen’, licht Kok toe. ‘Als deze kinderen worden geboren in een obesogene omgeving, die we ook steeds vaker in Afrika en Azië aantreffen, dan is er een grote kans dat ze later overgewicht en obesitas ontwikkelen. De verwachting is dat mede hierdoor wereldwijd het aantal gevallen van diabetes de komende twintig jaar met 75 procent zal stijgen.’

Maar niet alleen overgewicht is een probleem. ‘Een Chinese promovendus keek in haar onderzoek op het arme platteland van China naar de ijzerstatus van aanstaande moeders in het laatste trimester van de zwangerschap. De studie laat zien dat ijzertekort effect heeft op de cognitie en het sociaal en emotioneel functioneren van het kind. Opmerkelijker is dat het hier gaat om blijvende schade, met andere woorden; je kunt het later bijna niet meer rechtzetten, door bijvoorbeeld ijzertekorten aan te vullen. Belangrijk is dus dat de ijzervoorziening al tijdens de foetale periode, en met name in de laatste fase van de zwangerschap, goed is.’

Kok wijst erop dat veel internationaal onderzoek aan Humane Voeding juist gericht is op de eerste 1000 dagen van het leven, voor en na de geboorte, omdat dit vaak levenslange gezondheidsconsequenties kan hebben. Interessant noemt hij het veranderen van gewassen om ze een hogere nutriëntendichtheid te geven. Het gaat hierbij niet om genetische modificatie van gewassen, maar om zogenaamde biofortificatie. ‘In het INSTAPA-project, dat gecoördineerd wordt vanuit onze afdeling, zijn cassaveplanten uit Zuid-Amerika die rijk zijn aan vitamine A gekruist met Afrikaanse rassen die van nature weinig vitamine A bevatten. De nieuw geteelde gewassen zijn rijker aan vitamine A, en in een interventiestudie bij 360 Keniaanse kinderen hebben we kunnen laten zien dat de retinol-waarden in hun bloed stijgen. Dit is ook een mooie manier om ondervoeding aan te pakken.’ Een andere groep naar wie vanuit de afdeling veel aandacht gaat zijn adolescente meisjes. ‘In Afrika en Azië worden meisjes vaak al jonger dan achttien jaar zwanger’, licht hij toe. ‘Goede voeding is wezenlijk voor de ontwikkeling van henzelf (vaak zijn ze zelf nog niet uitontwikkeld), voor hun kinderen en zelfs hun kleinkinderen. Ons onderzoek heeft zich in dit verband in de afgelopen jaren steeds meer gericht op de epigenetica. Het gaat hierbij om onderzoek naar de invloed van de omgeving, inclusief voeding, op de fenotypische uiting van genen. Epigenetica vormt dus eigenlijk de link tussen “nature” en “nurture”. DNA-methylering is een van de manieren waarop genen zich “uit” kunnen schakelen en transcriptie kan worden geblokkeerd.’

Westerse voeding                                                                       
Ook in de problematiek rond de westerse voeding is de afdeling Humane Voeding gericht op cel-, individu- en populatieniveau (epidemiologie). ‘Binnen onze afdeling heb ik me altijd sterk gemaakt voor de verbinding tussen het onderzoek op de verschillende niveaus, daar kun je vaak spannende nieuwe dingen ontdekken’, aldus Kok. De rode draad in het onderzoek is het streven naar en behoud van optimale gezondheid in de hele levenscyclus, maar bij ouderen en kinderen, de meer kwetsbare groepen, komen problemen hiermee het meest aan het licht. ‘De kernthema’s als het om behoud van orgaanfunctie en preventie van ziekte gaat zijn hart- en vaatziekten, kanker, botgezondheid, sarcopenie en neurodegeneratieve aandoeningen’, vertelt Kok. ‘Daar loopt obesitas doorheen omdat het raakt aan diverse ziektebeelden. Mede door onze samenwerking met Ziekenhuis Gelderse Vallei, hebben we steeds meer inzicht in processen die zich rond ziekte in een klinische setting afspelen. Met patiëntengroepen doen we onderzoek en we leren steeds meer over een optimale voeding voor, tijdens en na ziekenhuisopname.’

De inzichten over voeding, gezondheid en ziekte zal volgens Kok nog verder gaan toenemen door de inzet van nieuwe technieken. Op cel- en moleculair-niveau gaat het daarbij om de zogeheten omics-technieken, waarmee gen-nutriënt-interacties worden onderzocht en zodoende stofwisselingsprocessen beter begrepen worden. ‘Ook zal de inzet van de informatietechnologie tot nieuwe inzichten leiden. We kunnen de iPhone nu al inzetten om metingen te doen aan voedselinname; de doorontwikkeling van software zal onderzoeksresultaten nog krachtiger maken. Ook op populatieniveau kunnen we hiermee meer bereiken door bundeling van data. En scanningstechnieken, zoals MRI en daaraan gekoppelde apparaten voor reuk- en smaakonderzoek, leveren ook steeds meer inzichten op in het functioneren van het brein en andere organen zoals lever, maag, en darmen. Zo kunnen we nagaan of bijvoorbeeld extra omega-3-vetzuren effect sorteren op bepaalde hersenfuncties; hoe snel de maaglediging is van een vezelrijke maaltijd; of er minder vetaccumulatie is in de lever na het volgen van een vermageringsdieet. De gecontroleerde voedingsproeven waar Wageningen bekend om staat worden steeds verfijnder. De zwakste schakel lijkt nu nog wel de meting van de inname van voedsel.’

Belly Fat Project
Een recent Wagenings onderzoek waarin veel data die zijn vergaard met moderne technieken en met elkaar zijn gecombineerd is het zogenoemde Belly Fat Project. Hierin is bij 110 personen met een gemiddelde BMI van 31 een interventie van twaalf weken gedaan in drie groepen: een controlegroep met hun gebruikelijk voeding en twee met een voeding met 30 procent minder calorie-inname, waarbij de deelnemers van de ene afvalgroep een minder gezond voedingspatroon volgden en de anderen een optimaal voedingspatroon. ‘Gemiddeld vielen beide afvalgroepen tussen 6 en 8 kilo af, maar het mooie was dat MRS-scans (proton Magnetic Resonance Spectroscopy) lieten zien wat er gebeurde met het levervet. De mensen met een gezond voedingspatroon en 30 procent calorie-restrictie hadden spectaculair minder levervet, 50-60 procent. De controlegroep nam licht in gewicht en levervet toe. We kunnen door het meten van veel parameters via omics, scanners, en sensors het probleem van overgewicht op veel verschillende niveaus van een individu bekijken. Zo is beter te begrijpen waarom de ene persoon op eenzelfde regime meer afvalt dan de ander. In de toekomst zal in het onderzoek ook meer gebruik worden gemaakt van Big Data, door mensen zelf verzamelde voedings- en medische gegevens, info via social media, wearables enz. Nu is Big Data vaak nog Big Error (vol van toevallige en systematische fouten), maar we gaan door de technologische mogelijkheden meer en meer van een “one size fits all” benadering, op basis van gemiddelden, via subgroepen naar een “what’s in it for me” persoonlijke benadering.’

Zorgen over voedselomgeving
Overgewicht en obesitas raken aan veel ziektebeelden in de westerse maatschappij en in opkomende economieën wereldwijd. Ook onderzoek aan Wageningen Universiteit naar metabole gezondheid raakt deze problematiek op veel vlakken. Volgens Kok is het een majeur probleem dat vooral door de obese omgeving wordt veroorzaakt. ‘Het is een problematiek die sinds de jaren tachtig langzaam gegroeid is. Je kunt niet verwachten dat het probleem morgen is opgelost, daar gaat ook veel tijd overheen.’ Hij pakt er een citaat bij uit het tijdschrift The Lancet van dit jaar waarin een analyse werd gemaakt van het obesitasprobleem, en leest voor (vrij vertaald, red.): ‘De hedendaagse voedselomgeving exploiteert bij mensen hun biologische, psychologische, sociale en economische kwetsbaarheden, op zo’n wijze dat het voor hen makkelijker wordt om te kiezen voor ongezonde voeding.’ Met andere woorden: in de huidige consumptiemaatschappij wordt een behoefte voor het ongezonde gecreëerd en worden mensen voortdurend verleid om het ongezonde te kiezen. ‘Dat moet toch anders kunnen’, denkt Kok. ‘Nederland is expert op agro-foodterrein. Wij zouden ons moeten opwerpen als gidsland voor de wereld, waarin we aan de rest van de wereld laten zien dat we vanuit onze agrifoodsector het voortouw nemen om de voedselomgeving gezonder te maken. Maar vooralsnog gaat het langzaam. Als ik op een technologieafdeling van een voedingsmiddelenbedrijf kom, moet ik nog steeds uitleggen waarom het belangrijk is dat er minder zout in een voedingsmiddel zit voor een betere bloeddruk. Dat moet nu zo langzamerhand toch gemeengoed zijn. Als er te weinig gebeurt op dit vlak en stakeholders naar elkaar gaan zitten kijken en afwachten, dan zal de overheid steviger de regie in de hand moeten nemen.’

Kok beseft zich dat ook de mensen die in Wageningen zijn opgeleid op de research- en marketingafdelingen van bedrijven terechtkomen die ongezonde producten aanbieden. ‘Ze zitten er middenin. Ik heb wel eens gedacht dat het goed zou zijn als er een bonus zou zijn op de ontwikkeling en marketing van gezonde producten. De bonusregeling wordt nu te veel bepaald door economische targets en niet door de bijdrage aan volksgezondheid en duurzaamheid. Het is nog te veel kortetermijndenken.’

Kok zet grote vraagtekens bij de voedselgoeroes die momenteel steeds vaker de kop op steken. Hij noemt de auteurs van de Voedselzandloper, Broodbuik en de Rens Kroezen van deze wereld. Ze helpen volgens hem niet mee aan een gezondere voedselinname. ‘Via slimme marketing en kennis die geponeerd wordt als dé waarheid, gevolgd door allerlei kookboekjes, bespelen ze de massa’, zegt Kok. ‘Ook de media werken eraan mee. Ik hoop eigenlijk op een tegenbeweging, waarbij de basisvoeding weer de waardering krijgt die het verdient. Als de voedselgoeroes onbedoeld deze reactie kunnen losmaken, dan ben ik ze nog dankbaar ook.’

Fascinatie                                                                                 
In de voedingswetenschap gaat het volgens Kok om kennis verwerven, mede om feiten van fabels te kunnen onderscheiden. Hij vergelijkt de onderzoekers met een soort waarheidszoekers, die vaak te maken hebben met voortschrijdend inzicht.

‘Ik heb een grote fascinatie voor voedsel, ben nieuwsgierig wat het doet in mijn lichaam. Het idee dat je elke dag via je eten en drinken duizenden verschillende moleculen tot je neemt en dat ze naar de miljarden lichaamscellen gaan, die allemaal in weefsels en organen zitten, dat ze daar zorgen voor brandstof en voor bouwstof, dat de organen de verschillende functies kunnen blijven uitvoeren, en dat tot op hoge leeftijd doen, onder allerlei verschillende omstandigheden, van topsport, via ziekte, tot zwangerschap, tot oud worden, dat vind ik wonderbaarlijk. En dan snap ik niet, en dit zou iedereen zich toch moeten kunnen voorstellen, dat er vaak zo onzorgvuldig met eten wordt omgegaan.’

Frans Kok is als voorzitter van Humane Voeding opgevolgd door Kees de Graaf, hoogleraar sensoriek en eetgedrag. In de volgende uitgave van Voeding Nu zal een interview met hem geplaatst worden.

Op 15 oktober hield Frans Kok zijn afscheidsrede en vond het symposium Nutritional Sciences: The Future is Ours plaats waarop een aantal gerenommeerde voedingsonderzoekers uit binnen- en buitenland spraken. Een verslag hiervan zal dit najaar in Voeding Nu verschijnen.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 10 van oktober 2015 op bladzijde 16

Reageer op dit artikel