artikel

Zijn wij steeds meer suiker gaan eten? *

Voedingswetenschap

Zijn wij steeds meer suiker gaan eten? *

In maart dit jaar heeft de WHO een nieuw advies uitgebracht ten aanzien van vrije suikers met een sterke aanbeveling voor een inneming <10 en%. Suiker is op dit moment een belangrijk onderwerp van zowel de wetenschappelijke als maatschappelijke discussie, onder andere vanwege vermeende ongunstige effecten op lichaamsgewicht. De suikerinneming in Nederland is daarom middels een recente Voedselconsumptiepeiling in kaart gebracht.

Voor de beoordeling vanuit volksgezondheidsperspectief is het belangrijk om de hoogte van de suikerinneming in Nederland te weten. Suikerinneming wordt tot nu toe vooral geschat op basis van nationale verbruikscijfers. Voor Nederland komt dat neer op circa 37 kilo suiker per hoofd van de bevolking per jaar. Dit is echter de hoeveelheid suiker die voor consumptie en andere doeleinden beschikbaar is, niet wat de Nederlandse bevolking daadwerkelijk eet.

De Gezondheidsraad heeft geen referentiewaarden voor de inneming van mono- en disachariden uitgegeven.

In de Richtlijnen Goede Voeding 2006 wordt gesteld dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is om een bovengrens voor toegevoegde suikers in te stellen. Wel lijkt een inneming van meer dan 20 en% gepaard te gaan met een ongunstige ontwikkeling in de voorziening met essentiële microvoedingsstoffen. In maart 2015 heeft de WHO een nieuw advies uitgebracht ten aanzien van vrije suikers met een sterke aanbeveling voor een inneming <10 energieprocent (en%) en een voorwaardelijk advies tot terugbrenging naar <5 en% (1). In deze studie is in de meest recente Voedselconsumptiepeiling (VCP), uitgevoerd door het RIVM in 2007-2010 (2), de inneming van totaal mono- en disachariden, glucose, fructose, lactose, sacharose, toegevoegde en vrije suikers berekend en daarnaast de bijdrage van voedingsmiddelengroepen aan de suikerinneming.

Mono- en disachariden
Tabel 1 laat de verschillende gebruikte definities van mono- en disachariden en suikers zien. De NEVO-tabellen uit 2006 en 2011 zijn als primaire bron gebruikt voor een schatting van totaal koolhydraten, totaal mono- en disachariden en de individuele mono- en disachariden. Voor voedingsmiddelen waarvan de individuele mono- en disachariden niet bekend waren in de NEVO-tabellen, zijn voedingsmiddelentabellen uit Groot-Brittannië (3), Denemarken (4) en Finland (5) gebruikt. Voor voedingsmiddelen die in geen van de tabellen voorkwamen zijn vergelijkbare producten en andere informatiebronnen gebruikt, zoals websites van fabrikanten of etiketten. Voor recepten zijn de hoeveelheden mono- en disachariden toegewezen aan elk ingrediënt. Voor 462 producten was het niet mogelijk om de individuele mono- en disachariden te herleiden, hier is de aanname gemaakt dat de totale hoeveelheid mono- en disachariden voor 100% uit sacharose bestonden.

Voedingsmiddelentabel toegevoegde en vrije suikers
Aan de hand van de opgestelde definities is de hoeveelheid toegevoegde en vrije suikers berekend op basis van de Deense voedingsmiddelentabel (4), de criteria voor etikettering van the International Choices Programme (6) en informatie van etiketten en producentenwebsites. Als er geen tot weinig informatie beschikbaar was, is de hoeveelheid geschat door de van nature voorkomende mono- en disachariden (op basis van een gelijk product zonder toegevoegde suikers) af te trekken van de totale hoeveelheid mono- en disachariden.

Nederlandse Voedselconsumptiepeiling 2007-2010
De VCP 2007-2010 is uitgevoerd van maart 2007 tot april 2010 onder kinderen en volwassenen in de leeftijd van 7 tot 69 jaar (2). De studiepopulatie was representatief voor de Nederlandse bevolking met betrekking tot leeftijd en geslacht. In totaal zijn 5502 personen uitgenodigd, waarvan 3819 personen zijn onderzocht. Voor het huidige onderzoek zijn 2 personen uitgesloten die op één van de twee onderzoeksdagen geen inneming rapporteerden, de totale studiepopulatie bedroeg hiermee 3817 personen. Van alle deelnemers is de voeding met twee 24-uurs recalls telefonisch afgenomen met een interval van 2 tot 6 weken en verspreid over alle dagen van de week en de vier seizoenen. Uit de gemiddelde gerapporteerde inneming is met de Multiple Source Method (MSM) de gebruikelijke dagelijkse inneming voor alle personen berekend (7).

Resultaten
Inneming
Gemiddeld bedroeg de inneming van mono- en disachariden 21 energieprocent (en%) (tabel 2). De relatieve bijdrage van mono- en disachariden aan totale energie- inneming was het hoogst in de laagste leeftijdscategorieën. De mediane inneming van mono- en disachariden bedroeg 115 g/d en mannen hadden een hogere inneming dan vrouwen. De absolute inneming van totaal en individuele mono- en disachariden was bij mannen het hoogst onder jongens van 14 tot 18 jaar en bij vrouwen onder meisjes van 9 tot 13 jaar. Gemiddelde inneming van toegevoegde suikers was 12 en%. Van de geconsumeerde mono- en disachariden bestond 64% uit vrije suikers en 55% uit toegevoegde suikers. De mediane inneming van vrije suikers was 74 g/d en leverde gemiddeld 14 en%.

In de gehele studiepopulatie was de mediane inneming van totaal fructose 58 g/d, deze inneming werd voor ca. 70% door sacharose gevormd. Lactose leverde voor mannen en vrouwen in alle leeftijdsgroepen gemiddeld 3% van de totale energie-inneming en 6 tot 7% van de totale koolhydraatinneming.

Het overgrote deel van de bevolking had een gebruikelijke inneming lager dan 20 en% toegevoegde suikers, te weten 83%. Het percentage dat 20 en% of meer aan toegevoegde suikers consumeerde was het hoogst onder jongeren (33% van de jongens van 7-8 jaar en 32% van de meisjes van 9-13 jaar) en nam af met de leeftijd. Van de totale bevolking had 19% een inneming <10 en% vrije suikers en 2% een inneming <5 en% vrije suikers. Volwassenen voldeden vaker aan de richtlijn dan jongeren.

Bijdrage voedingsmiddelengroepen
Frisdrank vormde een belangrijke bron van totaal en individuele mono- en disachariden in bijna alle leeftijdsgroepen (afbeelding 1-4). Andere belangrijke bronnen waren zuivel (melk, zuiveldrank, yoghurt, toetjes), snoepgoed/siroop/ijs, suiker/honing/jam, cake/koek, sappen, chocolade en fruit. Kinderen haalden meer mono- en disachariden uit frisdrank en snoepgoed/siroop/ijs dan volwassenen, volwassenen meer uit suiker/honing/jam en fruit.

Belangrijke bronnen van totaal fructose bij jongens en meisjes van 7 tot 19 jaar waren frisdrank, snoepgoed/siroop/ijs en fruit. Bij mannen waren dit frisdrank, fruit en suiker/honing/jam en bij vrouwen  fruit, frisdrank en sappen. Frisdrank was de belangrijkste bron van sacharose bij jongens en meisjes; bij mannen leverde de groep van suiker/honing/jam de meeste sacharose en cake/koek bij vrouwen. Toegevoegde suikers werden voornamelijk geleverd door frisdrank. Bij kinderen werd dit gevolgd door snoepgoed/siroop/ijs en zuivel, bij mannen door suiker/honing/jam en bij vrouwen door cake/koek en snoepgoed/siroop/ijs. Vergeleken met toegevoegde suikers, leverden sappen een grotere bijdrage aan de inneming van vrije suikers: deze verschoof van 3-5% naar 11-15%.

Discussie
De mediane inneming van mono- en disachariden in de Nederlandse bevolking bedroeg 115 gram per dag en leverde hiermee gemiddeld 21% van de totale energie-inneming. Toegevoegde suikers leverden gemiddeld 12% van de energie-inneming; vrije suikers gemiddeld 14%. De inneming was het hoogst bij jongens van 14 tot 18 jaar en meisjes van 9 tot 13 jaar. De voornaamste bronnen van mono- en disachariden, toegevoegde en vrije suikers waren frisdrank, zuivelproducten, snoepgoed/siroop/ijs , suiker/honing/jam, cake/koek, sappen, chocolade en fruit. De mediane inneming van totaal glucose, gedefinieerd als het totaal aan polysachariden, vrij glucose, maltose, en 50% van lactose en 50% van sacharose, was 187 gram per dag (35 en%) en de belangrijkste bronnen waren granen (brood), aardappelen en cake/koek.

De inneming van de individuele suikers is nog niet eerder geschat voor de Nederlandse bevolking en kan dus niet vergeleken worden met eerdere peilingen. Vergeleken met de VCP III (1997/1998) lijkt de absolute inneming van mono- en disachariden niet te zijn toegenomen. De mediane energie-inneming uit mono- en disachariden was 22,5 en% in 1987/1988 en 1992 en 23,3 en% in 1997/1998. Over de periode 2007-2010 was dit 21 en% (115 g/d). In 1997/1998 was de gemiddelde inneming van toegevoegde suikers onder de hele bevolking onder 75 jaar 65 g/d; onder volwassenen van 19 tot 50 jaar was de gemiddelde inneming 67 g/d (12 en%) (8). Dit is vergelijkbaar met de mediane inneming van 64 g/d door de gehele bevolking in de VCP 2007-2010. Echter, de vorige VCP maakte gebruik van een andere methode om voeding na te vragen, waardoor de gegevens niet direct met elkaar te vergelijken zijn. Verder hanteerde de VCP destijds een andere definitie van toegevoegde suikers. Desondanks zijn de verschillen voor mono- en disachariden en toegevoegde suikers in inneming klein en kunnen we stellen dat deze niet of nauwelijks zijn veranderd ten opzichte van 1988.

Internationaal perspectief
Om de Nederlandse cijfers in perspectief te zetten is een vergelijking met de internationale literatuur noodzakelijk. In de Verenigde Staten (VS) dateert de meest recente schatting van de inneming van toegevoegde suikers uit de periode 2007-2008. In de populatie vanaf 2 jaar was de gemiddelde inneming 77 g/d, ofwel 14,6 en% (9). De procentuele bijdrage aan energie was het hoogst bij jongeren van 6 tot 11 jaar en 12 tot 17 jaar met respectievelijk 84 g/d (17 en%) en 90 g/d (17 en%). De absolute innames zijn dus redelijk vergelijkbaar met die in Nederland, maar de bijdrage aan energie-inneming was iets hoger in de V.S.

Dit onderzoek is mede gefinancierd door Kenniscentrum Suiker en Voeding.

Referenties

  1. World Health Organization (WHO). Guideline: Sugars intake for adults and Children. Geneva 2015.
  2. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EJM, Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults 7 to 69 years. RIVM, 2011.
  3. Food Standards Agency. McCance and Widdowson’s Composition of Foods: Integrated dataset, http://www.food.gov.uk/multimedia/pdfs/cofuserdoc.pdf; 2002.
  4. Saxholt E, Christensen AT, Møller A, Hartkopp HB, Hess Ygil K, Hels OH. Danish Food Composition Databank, revision 7. Department of Nutrition, National Food Institute, Technical University of Denmark; 2008.
  5. National Institute for Health and Welfare. Fineli. Finnish food composition database. Release 14, Helsinki, http://www.fineli.fi2011; 2011.
  6. Roodenburg AJ, Popkin BM, Seidell JC. Development of international criteria for a front of package food labelling system: the International Choices Programme. European journal of clinical nutrition. 2011;65(11):1190-200.
  7. Haubrock J, Nöthlings U, Volatier JL, Dekkers A, Ocké M, Harttig U, et al. Estimating usual food intake distributions by using the multiple source method in the EPIC-Potsdam calibration study. The Journal of nutrition. 2011;141(5):914-20.
  8. Balder E, Ter Doest D, Hulshof K. Invloed toegevoegde suikers op voorziening microvoedingsstoffen. Voeding Nu. 2006;4:21-4.
  9. Welsh JA, Sharma AJ, Grellinger L, Vos MB. Consumption of added sugars is decreasing in the United States. The American Journal of Clinical Nutrition. 2011;94(3):726-34.

 

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 10 van oktober 2015 op bladzijde 8

Foto's

Reageer op dit artikel