artikel

‘De OOGST-methode gaat uit van de kracht van de patiënt zelf’ *

Voedingswetenschap

‘De OOGST-methode gaat uit van de kracht van de patiënt zelf’ *

‘Goedemorgen! Zullen wij beginnen met meten hoe lang je bent geworden en hoeveel spieren je hebt gekregen? En vertel mij daarna eens wat er allemaal goed is gegaan de afgelopen maanden.’ Met deze vragen begint gezinscoach Brigit van Zijp enthousiast haar werkdag. Van Zijp werkt bij het Kinderobesitascentrum van het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam op de poli Kindergeneeskunde. Op deze poli wordt gewerkt met de OOGST-methode: Obesitas Oplossings Gerichte Systeem Therapie. Deze methode komt uit Zweden en wordt ingezet om obesitas bij kinderen aan te pakken, én hun welzijn te bevorderen.

De OOGST-methode is een werkwijze, met de basis in de psychologie, die is gebaseerd op oplossingsgerichte gezinstherapie. Het doel is obesitas en overgewicht onder kinderen terug te dringen. Kenmerkend is de multidisciplinaire aanpak. Gezinscoach Brigit van Zijp: ‘We kijken naar de dingen die wél goed gaan, daar leggen we de nadruk op. We richten ons vervolgens op de gewenste situatie.’ Het OOGST-team bestaat uit een kinderarts, diëtist, psycholoog, gezinscoach en een nurse practitioner.

‘Bij het eerste bezoek in het ziekenhuis komen het gezin en enkele leden van het team bij elkaar. Zij zitten tijdens het gesprek niet tegenover elkaar, maar met z’n allen aan een ronde tafel’, vertelt kinderarts Roosje Roelants. Een tweede bezoek aan het ziekenhuis is zo’n drie á vier maanden na het eerste gesprek in een kleinere samenstelling. ‘In de tussentijd kunnen de kinderen en hun ouders al werken aan een gezondere leefstijl. Na drie maanden sturen we de ouders een brief met het verzoek voor een vervolggesprek. We laten hen de vrije keuze om daar gebruik van te maken’, aldus Van Zijp.

Sneeuwbaleffect
In de ochtend staan drie intakeconsulten gepland bij het Kinderobesitascentrum. ‘Vaak komen kinderen hier met grote ogen binnen, ze weten niet wat hen te wachten staat’, vertelt Van Zijp. Dat is ook te zien aan een zestienjarige jongen die alleen binnenkomt. Hij lijkt zenuwachtig, wat ook niet gek is; aan de tafel zitten vier vrouwen die vragen aan hem stellen. Van Zijp: ‘Mijn doel is dat het kind met een glimlach weggaat en zelf aan de slag gaat met zijn levensstijl. We gaan uit van de kracht van de patiënt zelf. Een diëtist kan een lijst geven van gezonde en ongezonde producten, waarop staat wat verstandige keuzes zijn, maar dat is nog niet voldoende voor gedragsverandering. Wij geven per gesprek maximaal twee adviezen mee, waarbij we pas advies geven als het kind dat zelf wil. We maken kleine stapjes. Dit blijkt effect te hebben. Zo komt het vaak voor dat een kind minder frisdrank gaat drinken, zich daardoor beter voelt en daarbij ook meer gaat bewegen. Dat is het effect dat wij willen zien.’ Ook de zestienjarige jongen lijkt zich meer te ontspannen tijdens het gesprek. Aan het einde van het gesprek lijkt hij zeer gemotiveerd om aan zijn leefstijl te gaan werken. Hij gaat door met veel bewegen en zal twee á drie keer in de week een gezonder tussendoortje kiezen in plaats van een reep chocolade.

Schaalvraag
Een consult begint met het wegen en meten van de cliënt. Dat blijkt niet voor ongemakkelijke momenten te zorgen, integendeel. De vraag, ‘zullen wij eens kijken hoeveel spieren je hebt?’ klinkt vele malen positiever en interessanter voor een kind dan de vraag, ‘zullen wij eens kijken hoeveel je weegt?’. Nadat er is gewogen en gemeten begint het gesprek met de vraag of er specifieke punten zijn die moeten worden besproken. Vervolgens stelt de coach algemene vragen over school, bewegen, voeding en vrienden. Op een bord schrijft ze welke dingen er goed gaan en wordt de schaalvraag gesteld. Daarbij wordt aan zowel het kind als de ouder(s) de vraag gesteld welk cijfer ze geven aan de huidige situatie (school, voeding, bewegen en vrienden) en met welk cijfer ze tevreden zouden zijn. Als een kind zichzelf een 6 geeft en tevreden zou zijn met een 8, dan wordt gevraagd wat er dan anders zou zijn bij de 8. Vervolgens bekijken de professionals hoe dat doel – met kleine stapjes – kan worden bereikt. Door de schaalvraag te gebruiken is duidelijk wat een kind wil.

Succesfactoren
Een twaalfjarig meisje, dat in de middag op vervolgconsult komt, vertelt dat ze onlangs een filmpje zag waarin een leeftijdsgenoot vertelt hoe zij is afgevallen. ‘Vanaf dat moment is bij mij de knop omgegaan en wilde ik ook afvallen. Ik zag foto’s van voor en na en dat wilde ik ook bereiken’, zegt het meisje. ‘Het kan raar gaan’, vertelt haar moeder. ‘Ik vertel haar al jaren dat ze moet afvallen. Maar ‘moet moet moet’, dat is verkeerd. Nu ervaart ze herkenning bij een leeftijdsgenoot en ziet ze het zelf in.’ In eerste instantie lijkt het meisje verdrietig, ze vermoedt dat ze is aangekomen terwijl ze juist zo hard heeft gewerkt. Totdat diëtist Magdalena Gorzelak haar de cijfers van haar lichaamssamenstelling laat zien. ‘Je bent aangekomen in spiermassa, dat is juist hartstikke goed’, vertelt Gorzelak. Het meisje tovert een dikke glimlach op haar gezicht. Ze vertelt dat het fijn is om op consult te komen, ook al gaat het niet goed. ‘Ik word toch altijd weer gemotiveerd om verder te gaan met mijn goede gedrag.’

Verbetering
Ook de cijfers, die nog niet zijn gepubliceerd, laten positieve effecten zien. Kinderarts Ines von Rosenstiel vertelt dat er minimaal twee jaar van follow-up nodig zijn. ‘Er wordt nu hard gewerkt aan de resultaten, maar ik heb de eerste cijfers al wel. Over het algemeen kun je bij afvalpogingen zeggen dat één derde van de kinderen een gezond gewicht krijgt, één derde hetzelfde gewicht behoudt en één derde zwaarder wordt of uitvalt. Bij de OOGST-methode laat 42 procent van de kinderen verbetering zien en is er maar 17 procent uitval. We zien dat de BMI afneemt en dat de kwaliteit van leven omhoog gaat. Kinderen kunnen weer meedoen in de samenleving, hebben vriendjes en zijn er emotioneel beter aan toe. Hans Budde (als kinderarts ook betrokken bij de OOGST-methode, red.) en ik willen dat meer mensen de methode gaan gebruiken en geven daarom voorlichting tijdens opleidingsactiviteiten.’

Zorg op maat
Von Rosenstiel: ‘We kunnen overgewicht onmogelijk compleet laten verdwijnen, maar kunnen wel zorgen voor preventie; dat is super belangrijk! Er moet zoveel mogelijk energie worden gestoken in gedragsverandering. Ook moeten de jeugdgezondheidszorg, huisartsen, kinderartsen en kinderchirurgen met elkaar samenwerken en één geheel vormen; met een eenduidige boodschap.’ De multidisciplinaire aanpak is dus essentieel bij de OOGST-methode. Daarbij blijven de kinderartsen nog wel specifiek verantwoordelijk voor de somatische aspecten en de psycholoog voor de psychologische aspecten van kind en gezin.
‘Dé oorzaak voor obesitas bestaat niet’, vervolgt Von Rosenstiel. ‘Elk kind is anders en bij elk kind zijn er één of meerdere oorzaken aan te wijzen. Daarom vind ik zorg op maat ook zo belangrijk, een kind kan zelf vaak aangeven waar winst te boeken valt. Het heeft niet altijd te maken met wat ze eten, maar hoe ze eten; denk aan structuur en regelmaat. Ik verwacht over tien jaar nieuwe criteria waarbij kinderen onder de achttien jaar met morbide obesitas ook een sleeve of maagbandje kunnen krijgen, al is dat natuurlijk geen oplossing voor ieder kind.’

OOGST
OOGST staat voor Obesitas Oplossings Gerichte Systeem Therapie. Met systeem wordt het gezin bedoeld. Het is in Malmö, Zweden voor het eerst in 1986 wetenschappelijk getest bij kinderen. Sinds februari 2012 wordt de methode toegepast in het Kinderobesitascentrum van het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam. Het ziekenhuis is daarin uniek in Nederland.

Andere ziekenhuizen gebruiken wel delen van de methode, zoals het Stages of Change model. Kinderartsen Hans Budde en Ines von Rosenstiel willen de methode delen met anderen. Ze geven daarom les bij opleidingsactiviteiten aan mensen die in de ouder/kind-teams in de 0de lijn zitten.

Bij de OOGST-methode staan de inspanningen en mogelijkheden van het kind en het gezin centraal. Het tempo van veranderingen doorvoeren is voor iedereen anders en daar wordt rekening mee gehouden. Verder is de aanpak oplossingsgericht. Dit betekent dat de kern is: het vaker doen van dingen die nu al goed gaan en het vinden van nieuwe oplossingen die bij het kind passen. De nadruk wordt niet gelegd op de problemen, maar op de gewenste situatie. Er wordt gewerkt vanuit een multidisciplinair team.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 11 van november 2015 op bladzijde 26

Reageer op dit artikel