artikel

Onderzoek naar risicofactoren voor overgewicht: Inname, genen en omgeving

Voedingswetenschap

Onderzoek naar risicofactoren voor overgewicht: Inname, genen en omgeving

Kleine verschillen in de dagelijkse energiebalans (inname versus verbruik van calorieën) zorgen bij kinderen op de lange termijn voor het al dan niet ontwikkelen van overgewicht. In de afgelopen jaren is de voedingsomgeving op middelbare scholen minder obesogeen geworden. Dit is belangrijk omdat een gezonde voedingsomgeving mensen kan helpen niet te veel te eten. Dit blijkt uit het proefschrift van Saskia van den Berg getiteld Diet and Overweight. Epidemiological studies on intake, environment and genetics, waarop zij in 2016 promoveerde aan de Universiteit van Utrecht.

Overgewicht (BMI ≥ 25 kg/m2) is nog steeds één van de grootste volksgezondheidsproblemen. In 2015 had twaalf procent van de kinderen en vijftig procent van de volwassenen in Nederland overgewicht. Overgewicht ontstaat als gevolg van een verstoorde energiebalans, waarbij de calorie-inname groter is dan het calorieverbruik. Het teveel aan energie wordt voornamelijk als vet opgeslagen in het lichaam. Veel factoren beïnvloeden, direct of indirect, de onderliggende componenten van de energiebalans (inname, verbruik en opslag). Voeding speelt hierbij een belangrijke rol. Overgewicht kan voorkómen worden. Tot op heden is het echter nog niet gelukt om het percentage mensen met overgewicht op populatieniveau terug te dringen. Meer inzicht in de risicofactoren voor overgewicht die samenhangen met voeding levert mogelijk aanwijzingen op voor preventie. In het proefschrift van Saskia van den Berg is onderzoek beschreven naar overgewicht en een breed scala aan voedingsfactoren, waaronder de energiekloof, genetische variaties in glucose- en vetstofwisseling, visconsumptie door zwangere vrouwen en veranderingen in de voedingsomgeving op middelbare scholen. Dit onderzoek heeft zij uitgevoerd bij het RIVM, in samenwerking met het Julius Centrum van het UMC Utrecht.

 

Energiekloof is klein

De energiekloof geeft het dagelijks overschot aan energie-inname ten opzichte van het energieverbruik weer dat verantwoordelijk is geweest voor de gewichtstoename in een populatie over een bepaalde tijdsperiode. Van den Berg berekende de energiekloof verantwoordelijk voor het ontstaan of behoud van overgewicht bij Nederlandse kinderen. Zij gebruikte hiervoor gegevens van 2190 kinderen uit de studie Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie (PIAMA-studie). Tien procent van de kinderen die deelnamen aan de PIAMA-studie ontwikkelde tussen het tweede en zesde levensjaar overgewicht. Deze groep kinderen kwam gemiddeld 4,8 kilogram meer aan dan kinderen met een normaal gewicht aan het einde van de studie. Voor negentig procent van de kinderen met overgewicht op een leeftijd van zes jaar komt deze extra gewichtstoename in vier jaar tijd overeen met een calorieoverschot van 75 kcal of minder per dag. Om een beeld te geven: 75 kcal komt bijvoorbeeld overeen met een glas frisdrank of dertig minuten lopen.

Op basis van dit onderzoek zou het voorkómen van overgewicht bij deze groep haalbaar moeten zijn, door kleine aanpassingen te doen in het eet- en beweegpatroon. Bijvoorbeeld door de kinderen water te laten drinken in plaats van frisdrank, of door ze vaker te laten fietsen of lopen in plaats van ze met de auto te vervoeren. Aan de andere kant laat dit onderzoek zien dat een calorieoverschot snel gerealiseerd is. Met het eten van bijvoorbeeld een klein zakje chips of een chocoladereepje extra (dus boven op de caloriebehoefte) is het al gebeurd. Het is belangrijk dat mensen zich ervan bewust zijn dat dergelijke keuzes in eet- en beweeggedrag er wel degelijk toe doen bij het ontwikkelen van overgewicht.

 

Genen spelen een rol

Genetische verschillen tussen mensen kunnen effect hebben op de mate van efficiëntie waarin ze voedsel afbreken en opslaan en uiteindelijk het ontwikkelen van overgewicht. Van den Berg heeft onderzoek gedaan naar 327 genetische variaties in 239 genen die een rol spelen bij glucose- en vetstofwisseling, BMI en middelomtrek. Voor deze verkennende studie is gebruikgemaakt van gegevens van 3575 Nederlandse volwassenen uit de Doetinchem Cohort Studie die drie keer onderzocht zijn in elf jaar tijd. In het onderzoek zijn verbanden gevonden tussen BMI en middelomtrek en vijf genetische variaties. Zo komt een bepaalde genetische variant in het SIRT1-gen bij ongeveer zeventien procent van de Nederlanders voor. Mensen met deze variant hebben op volwassen leeftijd een hogere BMI (0,5 kg/m2) dan mensen die de variant niet hebben. Overigens is het niet zo dat mensen met genetische gevoeligheid voor overgewicht ook altijd overgewicht krijgen. Ze ontwikkelen het misschien gemakkelijker, maar uiteindelijk kunnen ze door gezond te eten en voldoende te bewegen ook overgewicht voorkómen.

 

Visconsumptie moeder geen effect

Een eerdere studie laat zien dat kinderen op driejarige leeftijd van moeders met een hogere visconsumptie tijdens de zwangerschap, een lager risico op ernstig overgewicht (obesitas: BMI ≥ 30 kg/m2) hebben. Visvetzuren beschermen mogelijk tegen overgewicht door het blokkeren van de rijping van vetcellen van de foetus. Van den Berg heeft het langetermijneffect onderzocht van visconsumptie door zwangere vrouwen op de BMI van hun kinderen tussen de geboorte en het veertiende levensjaar. Ze betrok in de studie 3684 kinderen afkomstig uit het PIAMA-geboortecohort. De BMI is daarbij elf keer nagevraagd en er is rekening gehouden met andere belangrijke karakteristieken van moeder en kind. Het onderzoek laat zien dat een hogere visconsumptie (≥1 keer per week) door moeders tijdens de zwangerschap samenhangt met een lagere BMI van hun kinderen op verschillende leeftijden, vergeleken met kinderen van moeders die geen vis eten tijdens de zwangerschap. Het is echter aannemelijk dat andere kenmerken van de moeder verantwoordelijk zijn voor dit verband, voornamelijk een lagere BMI voor de zwangerschap van de moeders met een hoge visconsumptie. Deze resultaten ondersteunen het belang van het voorkómen van overgewicht bij moeders voor en tijdens de zwangerschap voor de gezondheid op lange termijn van het kind. Er is op dit moment echter geen reden om zwangere vrouwen aan te bevelen vis te eten ter voorkóming van overgewicht bij hun kinderen.

 

Aanbod op scholen verbeterd

Een verantwoord voedselaanbod op scholen kan bijdragen aan een gunstig voedingspatroon en lichaamsgewicht van kinderen. Eerder onderzoek, uitgevoerd in de periode 2006/2007, heeft laten zien dat ongezonde voedingsmiddelen en dranken ruim beschikbaar waren op middelbare scholen in Nederland. De afgelopen jaren zijn diverse programma’s uitgevoerd om het voedselaanbod op scholen te verbeteren. Van den Berg heeft veranderingen onderzocht in de voedingsomgeving op 187 Nederlandse middelbare scholen in vier jaar tijd. Voor dit onderzoek zijn gegevens gebruikt uit twee nationale enquêtes onder Nederlandse middelbare scholen. Het onderzoek laat gunstige veranderingen zien in het voedselaanbod, houdingen en opvattingen ten aanzien van overgewicht en beleid op het gebied van gezondheid en voeding op middelbare scholen tussen 2006/2007 en 2010/2011. Zo is bijvoorbeeld het aantal scholen waar drinkwaterkoelers aanwezig zijn, toegenomen van 12% naar 33%. Er worden echter ook minder gunstige ontwikkelingen gezien in deze vier jaar. Zo is bijvoorbeeld het aantal scholen met een verkooppunt van ongezond voedsel in de directe omgeving toegenomen van 73% naar 85%. Toch suggereren de resultaten dat de voedingsomgeving op middelbare scholen op een aantal aspecten minder obesogeen is geworden. Dit is van groot volksgezondheidsbelang. Het vervangen van een met suiker gezoete drank door een non-calorische drank zoals water, zou kunnen bijdragen aan het dichten van de energiekloof die verantwoordelijk is voor het ontstaan of behoud van overgewicht van kinderen. Recenter RIVM-onderzoek laat zien dat het voedingsaanbod op Nederlandse scholen nog verder is verbeterd. Zo is in 2015 het aantal scholen waar een waterkoeler aanwezig inmiddels gestegen tot 50%.

 

Toekomstig onderzoek

Er is tegenwoordig veel kennis beschikbaar over de samenstelling van een gezond voedingspatroon. De grootste uitdaging is op dit moment om een gezond voedingspatroon vol te houden in een obesogene samenleving. Daarom is het belangrijk de keuze voor niet te veel en gezond eten gemakkelijker te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een omgeving te creëren die gezonde keuzes stimuleert en die zo kan bijdragen aan het dichten van de energiekloof. De invloed van individuen op veranderingen in hun leefomgeving is beperkt. Het is dus belangrijk alle verantwoordelijke partijen te betrekken bij een succesvolle verbetering van de voedingsomgeving (bijvoorbeeld overheid, voedselproducenten, marketeers, verkopers, scholen en individuen). Toekomstig onderzoek naar de preventie van overgewicht zou zich vooral moeten richten op het verbeteren van de voedselconsumptie door het aanpakken van de obesogene omgeving.

Foto's

Reageer op dit artikel