artikel

Ouderen eten te weinig eiwit: onderzoek naar de inname van thuiswonende ouderen in Nederland

Voedingswetenschap

Ouderen eten te weinig eiwit: onderzoek naar de inname van thuiswonende ouderen in Nederland

Een aanzienlijk deel van de ouderen in Nederland heeft een lagere eiwitinname dan aanbevolen. Voldoende eiwitinname is belangrijk voor het op peil houden van spiermassa en het uitstellen van achteruitgang in fysieke functie met het ouder worden.

Een adequate eiwitinname is niet alleen belangrijk voor de eigen, maar ook voor de publieke gezondheid, vooral gezien de vergrijzende Nederlandse samenleving. Diverse onderzoeken richten zich op het vinden van oorzaken van een lagere eiwitinname bij ouderen en op het ontwikkelen van strategieën om de eiwitinname te verhogen. 

Lagere eiwitinname bij ouderen

De Gezondheidsraad adviseert (gezonde) volwassenen, inclusief ouderen, dagelijks ten minste 0,8 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht (g/kg/d) te consumeren. Deze aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) zou voor 97-98% van alle volwassenen voldoende zijn om eiwitdeficiënties en daaraan gerelateerde gezondheidsproblemen te voorkomen. Uit onderzoek is gebleken dat 14-15% van de Nederlandse thuiswonende ouderen deze aanbeveling niet haalt. De met ouderdom gepaard gaande vermindering van eetlust en de afname van lichamelijke activiteit zijn hiervan vermoedelijk de oorzaken. 

Scheve verdeling 

Recente onderzoeken suggereren dat mogelijk niet alleen de dagelijkse eiwitinname van invloed is op spiermassa en kracht, maar ook de verdeling van de eiwitinname over de daghet type eiwit en de combinatie met bewegingSommige onderzoeken laten zien dat een meer gelijkmatige inname van eiwit over de dag zou kunnen zorgen voor een effectievere synthese van spiereiwit dan een scheve verdeling (bijvoorbeeld weinig eiwitinname in de ochtend en veel in de avond). Andere onderzoeken suggereren echter dat er sprake moet zijn van een zekere piek in eiwitinname (25-30 gram per maaltijdmoment) om de synthese van spiereiwit op hogere leeftijd te optimaliseren. Er is meer onderzoek nodig om hier duidelijkheid over te verkrijgen.  

Betreffende het type eiwit lijkt dierlijk eiwit sterker geassocieerd te zijn met spiermassa en kracht dan plantaardig eiwit, vermoedelijk door de gunstiger samenstelling van essentiële aminozuren en betere verteerbaarheid van dierlijk eiwit dan van plantaardig eiwit. Vooralsnog lijkt de verdeling over de dag en het type eiwit van kleiner belang dan het halen van de ADH. Ook zijn er aanwijzingen dat eiwitinname vlak voor of na beweging tot een effectievere synthese van spiereiwit leidt dan wanneer deze momenten niet gekoppeld zijn. Hoe eiwitinname en beweging het best op elkaar afgestemd kunnen worden behoeft meer onderzoek. 

Knelpunten 

Voor de ontwikkeling van strategieën voor het verhogen van de eiwitinname is het belangrijk te weten wat de knelpunten in het huidige voedingspatroon van ouderen zijn. Daarnaast is het interessant te weten of er specifieke groepen ouderen te onderscheiden zijn die vaker een lagere eiwitinname hebben. Deze gegevens zijn nog niet bekend voor Nederlandse ouderen. Onze studie richt zich daarom op de verschillen tussen Nederlandse thuiswonende ouderen met een lagere en een hogere eiwitinname met betrekking tot a) eiwitinname per maaltijdmoment, b) eiwitbronnen en c) persoonskenmerken.  

Studie 

Voor deze studie is gebruikgemaakt van de gegevens uit de Voedselconsumptiepeiling-Ouderen (VCP-Ouderen), een onderzoek uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) naar de voedselconsumptie en inname van energie en voedingsstoffen van Nederlandse thuiswonende ouderen (70+). Tussen oktober 2010 en februari 2012 hebben diëtisten alle deelnemende ouderen gevraagd gedetailleerd hun voeding van de voorafgaande dag te beschrijven, op twee dagen met tussenpozen van circa vier weken. Hiermee is de gemiddelde consumptie van voedingsmiddelen berekend, evenals de gemiddelde inname van energie en voedingsstoffen (waaronder eiwit). Tevens zijn enkele algemene gegevens nagevraagd, zoals lengte, gewicht, opleidingsniveau, rookgedrag en alcoholconsumptie.  

Voor deze studie zijn gegevens gebruikt van 727 ouderen (49% vrouw), met een gemiddelde leeftijd van 76 jaar (IQR: 73-80). Gemiddeld was de eiwitinname van deze ouderen 1.0 g/kg/d (IQR: 0.9-1.2). Ruim 15% had een eiwitinname onder de ADH van 0.8 g/kg/d. Deze groep ouderen met een lagere eiwitinname is vervolgens vergeleken met de groep ouderen met een hogere eiwitinname (0.8 g/kg/d).  

Eiwitinname per maaltijdmoment 

Ouderen met een lagere eiwitinname bleken tijdens alle maaltijdmomenten minder eiwit (g) te consumeren dan ouderen met een hogere eiwitinnameGemiddeld waren de verschillen in grammen eiwit beduidend groter tijdens de lunch (12 g) en het diner (9 g) dan tijdens het ontbijt (3 g) en de tussendoormomenten (3 g). Verder was de relatieve bijdrage van dierlijk eiwit aan de totale eiwitinname tijdens de lunch en de tussendoormomenten lager bij ouderen met een lagere eiwitinname dan bij ouderen met een hogere eiwitinname (lunchrespectievelijk 53% en 64%tussendoormomenten, respectievelijk 36% en 46%). 

Eiwitbronnen 

Alle ouderen – zowel met een lagere eiwitinname als met een hogere eiwitinname – haalden op een dag gemiddeld de grootste hoeveelheid eiwit uit zuivel-, graan- en vleesproducten. Wel was de relatieve bijdrage van vleesproducten aan de dagelijkse eiwitinname iets lager in de groep met een lagere eiwitinname dan in de groep met een hogere eiwitinname: respectievelijk 22% en 28%. Anderzijds was de relatieve bijdrage van graanproducten iets hoger in de groep met een lagere dan een hogere eiwitinname: respectievelijk 22% en 20% 

 Persoonskenmerken van ouderen met een lagere eiwitinname 

Van alle onderzochte demografische, sociale, medische en leefstijlfactoren werden de volgende in verband gebracht met het hebben van een lagere eiwitinname: het volgen van een dieet (bijvoorbeeld een afslankdieet, koolhydraatarm of vegetarisch dieet)het hebben van obesitas (t.o.v. een normaal gewicht; Body Mass Index 30 t.o.v. 22-25 kg/m2en het niet consumeren van alcohol (t.o.v. het soms of vaak consumeren van alcohol). 

Conclusies 

Deze studie laat zien dat ruim 15% van de thuiswonende ouderen in Nederland een eiwitinname heeft onder de ADH. Deze groep krijgt over de hele dag minder eiwit binnen, maar de verschillen met de groep die wel voldoet aan de ADH zijn het grootst tijdens de lunch en in iets mindere mate de avondmaaltijd. Ook is voornamelijk tijdens de lunch het (relatieve) aandeel dierlijke eiwitten lager in de groep met een lagere eiwitinname. Voor beide groepen zijn zuivel-, graan- en vleesproducten de belangrijkste eiwitbronnen. Bij ouderen die een dieet volgen, obesitas hebben of geen alcohol drinken moet men extra alert zijn op een lagere eiwitinname. Vergelijkbaar met eerder onderzoek, lijken er verder geen duidelijke kenmerken te zijn.  

Discussie 

Onderzoeksresultaten, zo ook deze, dienen altijd met enige terughoudendheid geïnterpreteerd te worden. Zo moet er bijvoorbeeld rekening gehouden worden met het feit dat de onderzochte groep ouderen mogelijk niet volledig representatief is voor de gehele Nederlandse oudere bevolking. De deelnemers aan de VCP-Ouderen waren over het algemeen in betere cognitieve en fysieke gezondheid en waren minder vaak obees dan de gemiddelde thuiswonende ouderen in Nederland. Het is daarom onzeker of de voedingsinname van de minder vitale thuiswonende ouderen vergelijkbaar is en de in deze studie gevonden resultaten ook op hen van toepassing zijn. Nader onderzoek moet dit uitwijzen. Ook zijn meer studies nodig om mogelijke (persoons)kenmerken van een lagere eiwitinname te onderzoeken.  

Met behulp van de resultaten van deze onderzoeken krijgen we meer inzicht in de voedingspatronen en mogelijke (persoons)kenmerken bij een lagere eiwitinname van thuiswonende ouderen, waarmee strategieën kunnen worden ontwikkeld voor optimalisatie van de eiwitinname. Dit alles met het ultieme doel om met veroudering gepaard gaande gezondheidsproblemen, zoals afname van spiermassa en achteruitgang in fysieke functie, langer uit te stellen. 

Referentie:
Hengeveld LM, Pelgröm ADA, Visser M, Boer JMA, Haveman-Nies A, Wijnhoven HAH. Comparison of protein intake per eating occasion, food sources of protein and general characteristics between community-dwelling older adults with a low and high protein intake. Clin Nutr ESPEN. 2019;29:165-74. 

Het volledige wetenschappelijke artikel is te vinden op: https://clinicalnutritionespen.com/article/S2405-4577(18)30552-7/abstract

 

 

Reageer op dit artikel