artikel

80 jaar Voeding Nu: Personalized nutrition in het verleden?

Voedingswetenschap

Als het over personalized nutrition gaat, wordt daarmee meestal de belofte bedoeld die het concept in zich houdt voor de toekomst. Met persoonlijke data zo precies mogelijk uitvinden wat je het beste kunt eten, met hulp van high(bio)tech. De wetenschap is nog lang niet zo ver.

80 jaar Voeding Nu: Personalized nutrition in het verleden?

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat er, terugblikkend in de kolommen van Voeding (Nu), in de afgelopen tachtig jaar vrijwel geen artikelen over personalized nutrition gingen. Maar dat neemt niet weg dat er geen aandacht was voor voedingsbehoeften, daarover verschenen er des te meer. Deze gingen niet zozeer over individuele behoeften, daarvoor ontbrak (en ontbreekt) vaak de kennis, maar over de behoeften van bepaalde, meer of minder specifiek omschreven groepen. Zo verscheen al in het eerste nummer van Voeding in 1939 een artikel over schoolvoeding, voor ‘het kind in den schoolplichtigen leeftijd’, geschreven door privaatdocent in de voedingsleer E. G. van ’t Hoog aan de Universiteit van Amsterdam.

Het ging over het 6- tot 14-jarige kind dat ‘een zeer belangrijken tijd van zijn leven doormaakt – geestelijk zowel als lichamelijk. Met het intreden in den school eindigt het vrije leven van den kleuter en begint min of meer het gedwongen stilzitten en het zich onderwerpen aan de tucht van het leerprogramma, tijdsindeling, etc.’

Hooge eischen

Tegelijkertijd werd onderkend dat deze veranderingen ‘betrekkelijk hooge eischen’ aan ‘zenuw- en geestesleven’ stellen. Arme kleuters, zou je denken, maar gelukkig werd er door de voedingskundigen al over nagedacht hoe het kinderleed te verzachten. Want voor al die verschillende prestaties die bij de toenmalige schoolgang kwamen kijken was een ‘goede voeding van overgroote beteekenis: laat de voorziening daarin te wenschen over, dan is niet alleen een minder goede gezondheid van het schoolkind te verwachten – met de daarmee onvermijdelijke gepaard gaande gevolgen voor zijn geestelijke prestaties – maar ook voor het verdere leven belooft een ondoelmatige voeding gedurende de jeugdjaren niet veel goeds.’

Armoede

De meeste zorg in het artikel ging uit naar kinderen die op scholen zaten die door ‘min- en onvermogenden’ werden bezocht, van de armste gezinnen. ‘De leerplichtwet schiet in haar resultaten tekort, wanneer niet, naast geestelijke verzorging met de voorgeschreven leervakken, ook de materieele verzorging, voor zoover het noodig blijkt, ter hand wordt genomen.’ De voeding aan de armsten op school werd in het begin vooral door particulier initiatief gedragen, door onderwijskrachten en notabelen in dorpen en gemeenten. In de grote steden werden voor dit doel ‘vereenigingen voor kindervoeding’ opgericht.

En wat hield dat dan in? Zo staat het er letterlijk: ‘Aan stumpers, die na een lange, koude ochtendwandeling hongerig op school kwamen, werd een glas warme melk – misschien ook een paar boterhammen – gegeven; kinderen uit bekend behoeftige gezinnen konden
’s winters een bord soep krijgen, etc. Maar waar met losse bijdragen werd gewerkt, ontbrak steeds de zekerheid voor het bestendigen van deze geïmproviseerde voedselvoorziening; ze hield op zoodra het beschikbare bedrag was uitgeput en ze omvatte gewoonlijk slechts de wintermaanden.’

Gemeentezorg en spijskokerij

Later werd schoolvoeding voor armen meer geïntegreerd in het onderwijs, onder andere via de gemeentezorg. Door de voedingskundigen wordt de eerste voorziening van voedsel aan de armen op scholen in het begin bestempeld als ‘ouderwetsche soepuitdeling en spijskokerij’, wat meer de bedoeling had om ‘honger weg te nemen’ dan om te ‘voeden’. Ze stellen al snel vragen bij de keuze, de bereiding en de wijze van toedienen van het voedsel. Er werden pogingen gedaan om ontbrekende voedingsstoffen aan te vullen.

’De voedingsleer van heden strekt haar wenschen verder uit’, staat in het artikel van Van ‘t Hoog. ‘Niet langer mag men zich tevreden stellen met een voedselkeuze waarin slechts rekening is gehouden met het gehalte aan eiwit, vet en koolhydraten: de aanwezigheid in de voeding van vitamines en van bepaalde mineralen blijkt voor het lichaam van evenveel belang te zijn.’ Vervolgens wordt de kennis over vitamine A, C en het belang van schoolmelk uiteengezet.

Volledige maaltijden op school

De auteur van het artikel pleit verder voor volledige maaltijden op school. Kinderen uit behoeftige gezinnen en die door een schoolarts zijn aangewezen, ontvangen in zijn optiek ‘een kaart voor de eetzaal en kunnen op grond daarvan dagelijks (exclusief natuurlijk vacantiedagen) een volledigen maaltijd in een daartoe aangewezen schoollokaal gaan gebruiken.’ Of dat dan een ‘warm middagmaal zal zijn, is een vraag’, schrijft Van ’t Hoog, ‘waarover in verschillende landen en door verschillende personen uiteenloopende meeningen worden naar voren gebracht.’

Oslo-ontbijt of warme maaltijd

In een tweede artikel in 1939 zet Van ’t Hoog meningen over een warme of koude maaltijd verder uiteen. Hij haalt daarbij de opvattingen aan van wijlen prof. E. van Leersum die pleit voor een ‘goed uitgedachten broodmaaltijd boven een warm middagmaal’.

In Japan krijgen kinderen op de basisschool maaltijden aangeboden.

Vaak krijgen kinderen thuis al een warme kost. Van Leersum realiseert zich dat de lezers het wellicht jammer vinden dat de kinderen geen warme maaltijden op school krijgen, maar, zo voegt hij toe: ‘Het is een wanbegrip, dat een warme maaltijd voedzamer zou zijn dan een koude van dezelfde samenstelling. De weinige calorieën, die een verwarmde spijs, indien warmer dan 38 graden celcius, aan het lichaam afstaat, zijn voor de verwarming van geen beteekenis. De noodige hoeveelheid warmte komt pas vrij bij de oxydatie der voedingsstoffen in de weefsels. Het voordeel, dat het gebruik van warmen kost biedt, ligt hierin, dat van sommige spijzen de smaak beter is en hij in de maag een aangename gewaarwording teweegbrengt, welke echter ras voorbij gaat.’ En voor mensen die toch hechten aan iets warms, adviseert hij warme limonade of melk.

Het Oslo-ontbijt

De opvattingen van Van Leersum lopen volgens Van ’t Hoog parallel met die van de Noorse professor Car Schiötz, die veelbesproken pogingen heeft gedaan om te komen tot voedselverstrekking op volksscholen in Noorwegen. Hij stond bekend stond om het zogenoemde Oslo-ontbijt dat ook in Zweden, Finland en Engeland werd ingevoerd (zie kader Oslo-ontbijt). Het had een totale voedingswaarde van 1000 calorieën. Van ’t Hoog ging ervan uit dat een schoolontbijt aan de helft van de dagelijkse voedingsbehoefte van een kind zou moeten voldoen.

‘Het Osloontbijt blijkt zeker aan de gestelde eischen te voldoen’, aldus Van ’t Hoog. In latere nummers en artikelen in Voeding worden de mogelijkheden rond schoolvoeding verder uitgediept, waarbij ingegaan wordt op manieren waarop voeding op scholen zou moeten worden bereid en gedistribueerd. Welke grondstoffen nodig zijn en wat van belang is voor het behoud van voedingsstoffen. Voeding gericht op kinderen is een veelvoorkomend onderwerp, maar ook andere specifieke groepen passeren in tachtig jaar veelvuldig de revue: van baby’s, adolescenten, ouderen, militairen, verpleegsters, gevangenen, zwangeren en bewoners van het platteland tot aan Olympische sporters, de oude Grieken en Romeinen toe. Vaak beschreven aan de hand van de behoeften aan voedingsstoffen, niet zo persoonlijk als personalized nutrition, maar richtinggevend voor wat mogelijk wordt.

Voorbeeld van het Oslo-ontbijt

Bij het Oslo-ontbijt in het artikel van Van ‘t Hoog ging het per kind om een gemiddelde verstrekking van: 100 gram rauwe wortelen (ook wel ½ sinaasappel, ½ appel of 1 tomaat), 400 gram melk, 100 gram volkorenbrood, 40 gram “knäckebröd” (een soort harde volkoren of roggebeschuit), 30 gram boter, 20 gram kaas.

Crisissteunbeschikking

In Nederland bepaalde de minister van Economische Zaken met de Crisissteunbeschikking 1937 II dat het mogelijk werd met hulp uit het Landbouwcrisisfonds ‘deugdelijke gepasteuriseerde melk in de ochtendpauze op scholen te verstrekken tegen een prijs, die nimmer – ook voor welgestelde ouders – den kleinhandelsprijs te boven gaat, terwijl ouders met kleine inkomens naar vermogen bijdragen.’

Wil je weten hoe personalized nutrition in de huidige tijd wordt benaderd, kom dan naar het jaarcongres van Voeding Nu:

Diëtisten werken vaak volgens de Schijf van Vijf, maar in hoeverre volstaan de klassieke richtlijnen nog? Welke nieuwe diagnose- en behandelmogelijkheden kunnen diëtisten, gewichtsconsulenten en leefstijlcoaches meenemen in hun adviezen?

Tijdens dit nieuwe jaarevenement van Voeding Nu op dinsdag 26 november 2019 bereiden we je voor op de toekomst van het voedingsadvies en de rol die diëtisten en andere voedingsdeskundigen hierin vervullen.

Bekijk het programma

Meld u direct aan

 

Dit artikel verscheen in de oktoberberuitgave van Voeding Nu.

Hoofdfoto schoolmelk: Ben van Meerendonk/AHF, collectie IISG Amsterdam

 

Reageer op dit artikel