artikel

Overgewicht bestrijden met functionele voeding *

Voedselproductie

Overgewicht bestrijden met functionele voeding *

Binnen de onderzoeksafdeling van Unilever werden van 44 ingrediënten de wetenschappelijke publicaties naast elkaar gelegd die naar verwachting iets kunnen doen tegen de toename van lichaamsgewicht. Volgens de auteur van het artikel zijn er slechts 8 functionele ingrediënten met een aannemelijk werkingsmechanisme, echter zonder harde bewijzen. Ook wordt aandacht besteed aan de belangrijkste mechanismen waarmee functionele voedingsmiddelen hun werking kunnen uitoefenen en in hoeverre groene thee en calcium kunnen helpen bij de gewichtsbeheersing.

Uit een intern overzicht uit 2008 (van Unilever) van alle beschikbare informatie uit wetenschappelijke publicaties over 44 verschillende (mogelijk) functionele ingrediënten op het gebied van het bestrijden van overgewicht en het verbeteren van de lichaamssamenstelling, bleek dat er voor het merendeel (namelijk 35) geen aannemelijk werkingsmechanisme en ook geen of weinig bewijs is voor hun werkzaamheid. Bij 8 ingrediënten was er wel een aannemelijk werkingsmechanisme maar was het bewijs dat verkregen was uit onderzoeken bij mensen niet helemaal consistent of staan er nog wat kwesties open (en is er dus geen volledige wetenschappelijke consensus). Er bleef dus slechts één ingrediënt over, namelijk efedrine, waarvan onomstotelijk wetenschappelijk is bewezen  dat het werkt. Maar dit ingrediënt is verbannen als ingrediënt door Europese en Amerikaanse instanties omdat het mogelijk geassocieerd zou kunnen zijn met hartfalen.

Eerder verzadigd
Er zijn een aantal manieren om de voedselinname te verlagen. Ten eerste zal een verlaagde energiedichtheid van voedingsmiddelen een verlaging van de inname ten gevolg hebben. Verder kan men denken aan voedingsmiddelen die een meer langdurige verzadiging na een maaltijd bewerkstelligen of die ervoor zorgen dat mensen zich tijdens een maaltijd eerder verzadigd voelen. Mogelijke doelorganen voor dit soort voedingsmiddelen zijn de hersenen, de maag, de dikke en de dunne darm en de lever. Bij voedingsmiddelen die een effect op de verzadiging kunnen bewerkstelligen moet men goed in acht nemen dat de matrix (zoals de aanwezigheid van bepaalde eiwitten en vezels in voldoende hoeveelheden) waarin ze aangeboden worden van zeer groot belang is.

Kijken we naar een verlaagde opname van voedingsstoffen als mogelijk werkingsmechanisme van functionele voedingsmiddelen en ingrediënten voor het verminderen van overgewicht, dan zijn er maar weinig ingrediënten die hierop daadwerkelijk invloed hebben. En de effecten zijn meestal niet erg overtuigend. Verder is het zo dat een verminderde absorptie van koolhydraten en vetten vervelende bijwerkingen kan hebben en ook tot een verminderde absorptie van vetoplosbare vitamines kan leiden.

Groene thee
Twee mogelijk werkelijk functionele ingrediënten zijn groene thee en calcium (zuivel).

Groene thee heeft de laatste jaren in de belangstelling gestaan vanwege zeer diverse mogelijke positieve effecten op de gezondheid. Voorbeelden zijn hart- en vaatziekten, diabetes, én obesitas (1). Catechines, een bepaalde groep antioxidanten uit groene thee, werken via een mogelijk mechanisme van een verminderde reabsorptie van noradrenaline bij de synapsen in het sympathische zenuwstelsel. Zij kunnen ervoor zorgen dat er een sterkere activiteit van dit zenuwstelsel tot stand komt, waardoor er een verhoging van het energiegebruik bewerkstelligd wordt. Ook is het zo dat cafeïne, dat van nature aanwezig is in groene thee, voor een verhoging van de activiteit van het sympathische zenuwstelsel kan leiden.

Er is een groeiend aantal publicaties waarin de gunstige effecten van consumptie van groene thee op de lichaamssamenstelling aangetoond worden. Vooral op het viscerale vet (vet dat opgeslagen ligt rond de organen, waarvan ook bekend is dat het metabool actiever en dus gevaarlijker is dan bijvoorbeeld subcutane vet) blijkt het een gunstige uitwerking te hebben (2-6), hoewel de effecten bij Westerse proefpersonen minder uitgesproken zijn (7,8). De meeste van deze studies duurden ongeveer 12 weken en de gezonde proefpersonen die meestal wel overgewicht of obesitas hadden, veranderden hun leef- en eetgewoonten niet. Er moet dus wel opgemerkt worden dat bijna alle positieve resultaten werden behaald bij Aziatische proefpersonen.

Calcium
In de jaren tachtig zijn er voor het eerst indicaties gevonden van een negatief verband tussen calciuminname en lichaamsgewicht in epidemiologische studies die oorspronkelijk uitgevoerd waren om het verband tussen calciuminname en bloeddruk te onderzoeken. Het bleek dat mensen met een hoge calciuminname over het algemeen een lager lichaamsgewicht hadden. De groep van Zemel (9) heeft de mogelijke cellulaire aspecten van deze relatie onderzocht in in vitro en dierstudies. Uit deze onderzoeken is de volgende hypothese afgeleid: een toename van de calciuminname leidt tot een afname van de calcitriolconcentratie (een hormoon dat een metaboliet van vitamine D is) in het bloed. Deze afname zal leiden tot een afname van de instroom van calciumionen de vetcellen in, wat zal leiden tot een toename van de vetafbraak en een afname van de vetopslag.

Verder zouden er ook effecten op het energiegebruik op kunnen treden, via directe effecten van calcitriol op UCP2, een eiwit dat mogelijk een correlatie heeft met het energiegebruik in rust (10). Het bewijs voor deze hypothese blijft vrij zwak, maar bovenop de voorgestelde effecten op energie- en vetmetabolisme, kunnen calcium en/of zuivelproducten ook gunstige effecten op lichaamssamenstelling hebben via andere mechanismen.

Deze mechanismen zijn in een serie onderzoeken bestudeerd, die zijn gebundeld in een proefschrift (11). Hieruit bleek dat de calcium- en zuivelinname van de meeste Nederlanders al dusdanig hoog is, dat een verdere verhoging hiervan geen effecten zal hebben op het lichaamsgewicht. Ook werden geen significante effecten van zuivelinname op het energiegebruik of de vetabsorptie gevonden. Wel waren er aanwijzingen voor effecten op de vetafbraak lokaal in de buikregio.

Toch zijn er mogelijk een paar omstandigheden waaronder zuivel wel een rol kan spelen bij het beheersen van het lichaamsgewicht. Ten eerste zijn er bevolkingsgroepen met een lagere en mogelijk suboptimale calciuminname, die zeker baat bij zouden kunnen hebben bij een verhoging van de zuivelconsumptie. En ten tweede sluiten mensen die af willen vallen zuivel vaak direct uit hun dieet uit, terwijl in een aantal onderzoeken juist tijdens gewichtsverlies positieve effecten van magere zuivel zijn aangetoond.

Conclusie
Concluderend kan men stellen dat er drie belangrijke hoofdmechanismen zijn waarmee functionele voedingsmiddelen of ingrediënten hun werking zouden kunnen uitoefenen. Dit zijn een verlaging van de energie-inname, een verlaging van de energieabsorptie en een verhoging van het energiemetabolisme. Verzadiging en verlaging van de energie-inname zijn belangrijke zogenaamde ‘consumer benefits’, terwijl het verlagen van de energieabsorptie waarschijnlijk geen interessant mechanisme is voor het bestrijden van overgewicht.

Wel zou er een rol kunnen zijn voor het verhogen van het energiemetabolisme. Hoewel de langetermijneffecten hiervan nog aangetoond moeten worden, zouden hierdoor interessante specifieke effecten op bepaalde vetdepots op kunnen treden.

Verder is het zo dat er een zeer groot aantal zogenaamd functionele ingrediënten is waarvan de werking niet of nauwelijks is aangetoond. De kwaliteit en consistentie van het bewijs is vaak ver beneden iedere wetenschappelijke maatstaf. Kijken we naar de effecten van componenten uit groene thee, dan is hiervoor een mogelijke rol bij het bestrijden van obesitas weggelegd. Maar er is eerst meer bewijs nodig uit Westerse populaties.

Ten slotte is de rol van calcium en/of zuivelproducten bij de gewichtsbeheersing in de algemene populatie onwaarschijnlijk, hoewel er in sommige subgroepen misschien effecten zouden kunnen zijn.

Referenties

1.    Cabrera C, Artacho R, Gimenez R. Beneficial effects of green tea–a review. J Am Coll Nutr 2006;25:79-99.
2.    Auvichayapat P, Prapochanung M, Tunkamnerdthai O et al. Effectiveness of green tea on weight reduction in obese Thais: A randomized, controlled trial. Physiol Behav 2008;93:486-91.
3.    Harada U, Chikama A, Saito S, Takase H. Effects of the long-term ingestion of tea catechins on energy expenditure and dietary fat oxidation in healthy subjects. Journal of Health Science 2004;51:248-52.
4.    Hase T, Komine Y, Meguro S et al. Anti-obesity effects of tea catechins in humans. J Oleo Sci 2001;50:599-605.
5.    Kajimoto O, Kajimoto Y, Yabune M, Nakamura T. Tea catechins with a galloyl moiety reduce body weight and fat. Journal of Health Science 2006.
6.    Nagao T, Komine Y, Soga S et al. Ingestion of a tea rich in catechins leads to a reduction in body fat and malondialdehyde-modified LDL in men. Am J Clin Nutr 2005;81:122-9.   
7.    Diepvens K, Kovacs EM, Vogels N, Westerterp-Plantenga MS. Metabolic effects of green tea and of phases of weight loss. Physiol Behav 2006;87:185-91.
8.    Hill AM, Coates AM, Buckley JD, Ross R, Thielecke F, Howe PR. Can EGCG reduce abdominal fat in obese subjects? J Am Coll Nutr 2007;26:396S-402S.
9.    Zemel MB, Miller SL. Dietary calcium and dairy modulation of adiposity and obesity risk. Nutr Rev 2004;62:125-31.
10.    Zemel MB, Miller SL. Dietary calcium and dairy modulation of adiposity and obesity risk. Nutr Rev 2004;62:125-31.
11.    Boon, N. Dietary calcium and body weight regulation. 
2007. Maastricht. Ref Type: Thesis/Dissertatio


Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 1/2 van januari/februari 2009 op bladzijde 10

Reageer op dit artikel