artikel

De FNLI Taskforce zout in Levensmiddelen *

Voedselproductie

De FNLI Taskforce zout in Levensmiddelen *

Met het verschijnen van de Richtlijnen Goede Voeding (RGV, 1) in 2006 deed de Gezondheidsraad een oproep aan het bedrijfsleven om het zoutgehalte in voedingsmiddelen omlaag te brengen. Een groot deel van de zoutinname van de Nederlandse bevolking komt door (industrieel) bereide levensmiddelen, 70-75 procent. In het voorjaar van 2007 pakte de Federatie Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI) de handschoen op en lanceerde de Taskforce Zout in Levensmiddelen (TZ). Volgens het TZ-actieplan moet het zoutgehalte in 2010 met 12 procent zijn teruggedrongen, waarna in fasen naar een verlaging van zo’n 25-30 procent wordt toegewerkt.

Bij de TZ zijn nagenoeg alle in de FNLI deelnemende sectoren op een of andere wijze betrokken, zowel vertegenwoordigers van brancheorganisaties, die voor meerdere bedrijven kunnen spreken, als individuele bedrijven. Dit is van belang, want natrium komt in veel producten over de hele breedte van de levensmiddelenindustrie voor.

Voor hun deelname was het voor de bedrijven ten eerste van belang dat de verlaging zich zou richten op reguliere producten en niet op dieetproducten (bijvoorbeeld voor strenge natriumbeperking). Een ander uitgangspunt bij deelname was dat de deelnemers de noodzaak om tot een verlaging van de natriumgehaltes te komen, niet ter discussie zouden stellen. Ten derde gold dat er binnen het actieplan realistische doelstellingen zouden worden opgesteld, waarbij toegewerkt zou worden naar een geleidelijke, stapsgewijze verlaging van het zoutgehalte in de producten. Tot slot zou er sprake moeten zijn van een verlaging in de breedte van het gehele productenpakket, niet alleen in de top-3  of top-5 van productcategorieën die het meeste zout leveren in de voeding. (2)

Terminologie

Hoewel in de praktijk de termen zout en natrium vaak door elkaar worden gebruikt, was het voor de TZ belangrijk dat iedereen hetzelfde bedoelt als gesproken wordt over minder zout of zoutreductie. Betreft het ingrediënten, dan is vastgesteld dat het om zout of, duidelijker, keukenzout gaat (natriumchloride). De term zout dekt immers veel ladingen, ook ammonium- en kaliumzouten horen ertoe. Als het gaat over voedingsstoffen en voedingswaarde, dan wordt natrium bedoeld. Natrium in de voeding komt niet uitsluitend van keukenzout, maar ook uit andere bronnen. Veel voedingsmiddelen bevatten van nature natrium, maar dan wordt niet gesteld dat deze van nature zout bevatten. Echter, in een voedingswaardedeclaratie behoort het van nature aanwezige natrium wel mee te tellen. In een ingrediëntendeclaratie telt uitsluitend het (keuken)zout mee dat is toegevoegd.

In het actieplan van de TZ is afgesproken uitsluitend de hoeveelheid toegevoegd natriumchloride te verlagen. Er wordt (zo dat al zou kunnen) niet getornd aan van nature aanwezige hoeveelheden, noch aan eventuele andere (toegevoegde) bronnen van natrium.

Werkwijze

Om straks na te gaan of reducties in zoutgehalte worden gehaald, is gekeken naar wat de huidige inname is. Daarbij is uitgegaan van de NEVO-tabel 2006. De keuze voor dit basisjaar draagt ertoe bij dat fabrikanten die al pogingen hebben ondernomen om de natriumgehaltes te verlagen, bijvoorbeeld in 2007 of 2008, niet hun verlaagde zoutgehalte als uitgangswaarde moeten nemen. Dit laatste zou als het ware een straf zijn voor hun eerste initiatief.

Om te komen tot een streefmaat voor de reductie speelde ook de Voedselconsumptiepeiling (1997-1998) een belangrijke rol. Weliswaar zijn er recentere gegevens van subgroepen uit de Nederlandse populatie, maar de TZ achtte de gegevens hiervan onvoldoende representatief voor de totale bevolking. De Nevo-tabel en de VCP-gegevens leverden samen de informatie op om per productgroep de gemiddelde consumptie per dag samen te stellen. Zo kwam de TZ uit op een gemiddelde consumptie van ongeveer 6,5 gram per dag, afkomstig van de productcategorieën van bedrijven die onder de FNLI vallen. Dit getal is als basis genomen, wat waarschijnlijk nog aan de hoge kant is, want bepaalde (levensmiddelen)sectoren zijn geen lid van de FNLI.

Fasering

Zoals gesteld in de uitgangspunten is het belangrijk dat de natriumgehaltes geleidelijk aan in drie of meerdere stappen worden verlaagd.

Fase 1: Verbintenissen tot begin 2010.
Doelstelling: het behalen van een gemiddelde vermindering van 12 procent van de hoeveelheid natriumchloride in bewerkte voedingsmiddelen begin 2010 van het productenpakket in de participerende sectoren ten opzichte van het huidige gemiddelde. De reductie wordt gemeten op productieniveau, af-fabriek. De vermindering wordt gerealiseerd op basis van de actieplannen van de participerende sectoren en bedrijven. De TZ is zich ervan bewust dat de doelstelling slechts de eerste stap kan zijn in het licht van de noodzaak om de hoeveelheid natrium in de voeding te verlagen.

– Fase 2: Balans opmaken en vervolgdoelstellingen vaststellen.

– Fase 3: Nieuwe verbintenissen per sector.
Uiteindelijk is het de bedoeling om tot een natriumreductie te komen van 25-30 procent. Naar het idee van de TZ zou dit op de middellange termijn haalbaar moeten zijn. Het is op dit moment de vraag of 3 fasen hiervoor afdoende zullen zijn. Het ligt in de lijn der verwachting dat het nu afgegeven commitment van 12 procent een relatief eenvoudige stap zal zijn, maar dat verdere stappen lastiger te realiseren zijn. Er zullen meer sensorische, technologische en wellicht zelfs microbiologische belemmeringen optreden. De volgende stappen zullen om deze reden wellicht kleiner zijn dan 12 procent.

Monitoring

De monitoring van de ontwikkelingen in het natriumgehalte is van cruciaal belang voor het nagaan of de afgesproken doelstellingen worden gehaald. Momenteel is de TZ bezig met het ontwikkelen van een zo simpel mogelijke vragenlijst om in de verschillende brancheorganisaties de benodigde informatie ‘boven tafel’ te krijgen. De basis van de lijst bevat de totale hoeveelheid verwerkt zout versus de hoeveelheid (geproduceerd) product, waarbij deze gegevens zullen moeten worden teruggerekend naar hoeveelheden natrium in milligrammen per 100 gram van alle producten. Vervolgens moet dit teruggerekend kunnen worden naar de VCP-gegevens.

Los van de eigen monitoringactiviteiten, is wat de TZ betreft de belangrijkste toetssteen of er daadwerkelijk sprake zal zijn van een verlaagde natriuminname in de bevolking. Het doet de leden dan ook genoegen dat het Ministerie van VWS heeft toegezegd het zogeheten Doetinchem-onderzoek te gaan herhalen (zie ook bladzijde 10 van dit nummer).

Vervolgtraject

De FNLI is niet de enige partij in de aanbieders van voedingsmiddelen waar de hoeveelheid natrium een rol speelt. Ook het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL), de brancheorganisatie van de supermarkten, onderschrijft de doelstelling van TZ en wil participeren in het traject om de hoeveelheid zout in de voeding te verlagen. En ook de grotere cateraars, verenigd in de VENECA, hebben aangegeven mee te willen doen. Het ligt dan ook voor de hand om een modus te vinden waarbij deze verschillende partijen, inclusief de horeca, met elkaar in gesprek zullen gaan om verdere pogingen te doen de natriumconsumptie te verlagen. Dit vergroot in sterke mate de mogelijkheden om de einddoelstelling van 25 tot 30 procent reductie te behalen.

Mededinging
Enige tijd voor het publiek maken van het FNLI-actieplan werd het voedingsmiddelenbedrijfsleven ermee geconfronteerd dat het implementeren van een dergelijk plan mogelijk strijdig zou kunnen zijn met het mededingingsrecht. Onderzocht werd of een actieplan gezien kon worden als een overeenkomst die de mededinging op de Nederlandse markt zou kunnen verhinderen, beperken of vervalsen. Zo’n overeenkomst is namelijk verboden. Volgens de FNLI zou dit niet het geval zijn: het is niet evident dat de afspraken leiden tot een verandering in het marktgedrag van concurrenten, terwijl het alle leden vrijstaat verder te gaan dan is afgesproken. Ten tweede is nagegaan of er wellicht een beroep gedaan kon worden op de uitzonderingsmogelijkheden op dit verbod, mocht voorgaande redenering niet worden geaccepteerd door de mededingingsautoriteiten.

In ieder geval kan men het doel van het plan zien als een bijdrage aan technische of economische vooruitgang. Het verbeteren van de volksgezondheid laat zich uiteindelijk ook vertalen in economische voordelen. De gebruiker (de consument dus) geniet bovendien de voordelen van de overeenkomst want die worden defacto aan deze gebruiker doorgegeven.

Tot slot blijft er ruim voldoende restconcurrentie over. Zout of natrium is slechts één van de aspecten waarop concurrentie plaatsvindt. De conclusie van de FNLI was dan ook dat er van strijdigheid met de mededinging geen sprake kan zijn.

1. Gezondheidsraad. Richtlijnen Goede Voeding 2006. Den Haag: Gezondheidsraad, 2006; publicatie nr 2006/21.
2. http://www.fnli.nl/nieuwsitem.php?news_id=81

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 3 van maart 2009 op bladzijde 12

Reageer op dit artikel