artikel

Gezondheid, voeding en innovatie *

Voedselproductie

Gezondheid, voeding en innovatie *

Gedurende de laatste 2 decennia heeft de levensmiddelenindustrie sterk geïnvesteerd om kennis, die verkregen is uit wetenschappelijk onderzoek, om te zetten in de ontwikkeling van concepten van gezonde voeding. Vaak gaat het daarbij om functional foods die de behoefte aan een gevarieerd en evenwichtig voedingspatroon kunnen aanvullen. Voor een product op de markt komt moet er echter wel een algemene consensus bestaan over het nut van het product dat moet voldoen aan basale consumentenbehoeften zoals prijs, smaak en ‘gemakkelijk te gebruiken’. Dit is het eerste deel van een artikel dat inzicht geeft in een aantal facetten die hierbij komen kijken.

Er zijn verschillende bewegingen die
bijdragen aan innovatie, aan de ontwikkeling van nieuwe of functionele
voedingsmiddelen. Zo hebben gegevens rond de ongunstige effecten van stoffen die
in de voeding voorkomen of die er door de voedselbewerking in zijn gekomen,
ertoe geleid dat de aanwezigheid van deze stoffen nu zoveel mogelijk beperkt
wordt en dat innovatief gezocht is naar alternatieven. Hierbij valt te denken
aan transvetzuren, acrylamide, natrium en gewoon verzadigd vet. Een vermindering
gaat echter niet zonder slag of stoot en gaat vaak gepaard met grote kosten.

Een interessant voorbeeld zijn de transvetten.
Ze ontstonden door het industrieel bewerkingsproces  (hydrogeneren) van vloeibare vetten die weinig
functionaliteit en oxidatieve stabiliteit hadden. Deze zeer functionele
voedingsvetten vonden gauw hun weg naar de verwerkende industrie, met name in
de bakkerij- en frituursector. De latere constatering dat transvetzuren een
cholesterolverhogende werking hebben (verzoorzaakt door het hydrogeneren) zette
vervolgens de wereld op zijn kop. Er moesten met spoed alternatieven worden
gevonden met een laag gehalte aan cholesterolverhogende verzadigde vetzuren. De
weg naar innovatief denken en het blootleggen van nieuwe vetbronnen lag open.

Een ander voorbeeld is de recente
aanbeveling tot zoutvermindering. Het zoeken naar functionele zoutvervangers is
hierdoor een kernzaak geworden. Hierbij gaat het zowel om het behoud van de
smaak als de technologische eigenschappen.

Ontwikkelingsproces
Productinnovatie is belangrijk, maar
ligt niet altijd voor de hand. Een voorbeeld om dit te verduidelijken. Niet
lang geleden kwam de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) met een aanbeveling om
de suikerconsumptie te verminderen met het doel de energie-inneming te beperken.
Hiermee zou het optreden van overgewicht en daarmee samenhangend diabetes type
2 kunnen worden tegengegaan. Suiker levert ‘lege calorieën’ en kan tevens het
bloedsuiker ongewenst verhogen, een effect waarvan lang is verondersteld is dat
dit het optreden van diabetes bevordert.

De WHO-aanbeveling lijkt plausibel,
maar de oplossing van het probleem is niet evident. Het verminderen van het
suikergehalte in frisdranken bijvoorbeeld elimineert niet alleen een deel van
de zoetkracht maar ook van de viscositeit, 
een ‘filming’ mondgevoel. Het verminderen van het één vraagt dan ook om compenserende
eigenschappen, zoals een intense zoetstof en een filming-component. In alle gevallen
is de uitkomst dat er veel levensmiddelentechnologisch werk moet worden
verricht. Smart thinking en het vinden van innovatieve oplossingen in een team
waarin zowel voedingskundigen als levensmiddelentechnologen zitten, is
belangrijk.

Om te voorkomen dat nieuwe producten
mislukken is het dan ook van fundamenteel belang dat in een zo vroeg mogelijk
stadium van het ontwikkelingsproces de juiste vragen worden gesteld. In het
geval van de suikeraanbeveling betekent dat bijvoorbeeld: 1. Is er een algehele
consensus dat een lage glycemische index van de voeding zo belangrijk is dat
het gehalte aan hoog glycemische koolhydraten beperkt dient te worden; 2. Leidt
het verminderen van toegevoegde suikers in de voeding daadwerkelijk tot minder
overgewicht en diabetes; 3. Gaat het ten koste van de smaak en verlies ik
daardoor de consument op den duur?; 4. Kan men dan de consument op een
begrijpelijke manier uitleggen dat er een acceptabel compromis nodig is?

Als deze vragen geen bevredigend
antwoord opleveren, is de vraag terecht of er wel geïnvesteerd moet worden in de
ontwikkeling van nieuwe producten. Consumenten leveren niet graag in als het
gaat om aspecten als zoetheid, smaak en convenience. Het is dan ook
begrijpelijk dat veel voedingsindustriemanagers er weinig of niets voor voelen
om hun producten drastisch te veranderen. Immers, elke verandering in een goed
smakend product kan een vermindering van de omzet inleiden.

Epidemiologisch onderzoek laat
weliswaar een samenhang zien tussen de consumptie van snel verteerbare, hoog
glycemische koolhydraten en diabetes, maar geen causaliteit. Recente
meta-analyses van interventiestudies, waarin laag glycemische voeding werd
vergeleken met hoog glycemische voeding, zijn voor wat betreft hun effect bij
niet-diabeten teleurstellend. Toch hebben overheden, de pers de publieke opinie
het denken over suikers en gezondheid sterk negatief beïnvloed. In het licht
van de wetenschap is het echter niet denkbeeldig dat dit eenzijdig plaatje
verandert en dat er nieuwe informatie komt die erop wijst dat deze gang van
zeken overtrokken is. De les die hieruit geleerd kan worden is dat een snelle
drang naar innovatie, ontstaan vanuit een directe verandering in de marktvraag,
bijna altijd gevolgd wordt door een even snelle tegenbeweging die gewenste
verandering allemaal weer ontkracht.

Gezonde keuze
Of consumenten voor nieuwe voeding of functional
foods kiezen is de vraag en hangt af van veel factoren die het
consumentengedrag beïnvloeden. Als het gaat om een gezonde voeding zijn het
vooral de bekenden uit de eerste lijn, zoals ouders en grootouders, die invloed
uitoefenden op hun nakomelingen. Ook speelt bijvoorbeeld de zorg voor zieken en
het voorkomen van ziekte een rol. De actuele ‘gezondheidszorgen’ zijn mede
afhankelijk van wat ‘anderen’ in de familie hebben en van de informatie die de
persoon in samenhang daarmee uit de dagelijkse media krijgt.

Daarbij komt dat de informatie in de
media over voeding continu verandert. Werd in het verleden in de communicatie
over voeding vooral de nadruk gelegd op “het belang voor een gezonde groei en
ontwikkeling”, tegenwoordig gaat het vooral om “het lichamelijk functioneren en
het voorkomen van ziek worden”. Afhankelijk van de regionale zorgfocus van
overheden zijn er ook nog ‘regionale’ verschillen in wat de pers meldt. Zo
laten marktstudies zien dat in verschillende landen in Europa de top 3 in de
relatie gezondheid en voeding mede daardoor verschillen. In UK stond recent “gezond
hart en bloedvaten” boven aan, in Frankrijk was het “energie en vitaliteit” en
in Duitsland “immuniteit – weerstand tegen ziekte”.

Belangrijk voor  het zo goed mogelijk kunnen inschatten van
toekomstige consumentenpercepties, koopgedrag en marktkansen is dan ook het
inzicht krijgen in welke informatie de consument over een paar jaar sterk zal
beïnvloeden. Welke public health ontwikkelingen waar de wetenschap op inspeelt,
zijn van belang voor de markt van overmorgen?

Consensus
De geschiedenis van succesvolle
productlanceringen laat zien dat consensus tussen de verschillende
opinieleiders in de markt van beslissend belang is voor succes. Een voorbeeld.
In het verleden startte de Britse overheid een enorme voorlichting over het
voorkomen van hart- en vaatziekten. De reden was dat hartinfarcten in Engeland
bovenaan de lijst van doodsoorzaken stonden. In dit kader werd gecommuniceerd
dat het verlagen van cholesterol essentieel is. Daarmee kreeg de
voedingindustrie optimale mogelijkheden om cholesterolverlagende producten,
waarvan het nut wetenschappelijk was aangetoond, aan de man te brengen. Maar
het ging fout bij het op de markt brengen van een yoghurt met probotica door
een zeer succesvolle firma uit Scandinavië. Er waren toen gedachten dat
probiotica kunnen helpen om het cholesterol te verlagen, in de Engelse markt van
toen een perfect passend verkoopjasje. De concurrent kreeg hier lucht van en
zorgde in de introductieweek van het product dat er in de Times een groot
artikel verscheen, waarin door vooraanstaande wetenschappers de
veronderstellingen over probiotica en hart- en vaatziekten als volledig onjuist
onderuit werden gehaald. Daarop volgde een overheidseis om de reclame-uitingen
te veranderen. Het product flopte en vele miljoenen verdwenen in een bodemloze
put. Voor een succes in de markt is het nodig ook dit spel te begrijpen, maar
vooral ook de waarde van goed onderbouwde claims waarover consensus is.

Succes
Innovatie is past echt een succes als
het de verkoop stimuleert. Brengt de innovatie een merkbaar voordeel voor de
consument? Begrijpt, ziet of voelt de consument dat voordeel? Een
consumentgerichte communicatie is daarvoor belangrijk.

Een kop koffie heeft een snel en
merkbaar effect. Een energiedrank voor een duursporter ook. Maar hoe zit dat
met een voedingmiddel dat wordt aanbevolen om iets te doen dat de consument niet
voelt, bijvoorbeeld cholesterolverlagend? Begrijpt de consument het nut daarvan
zodat tot aankoop besloten wordt?

In dit verband is er een samenhang
tussen “technisch-wetenschappelijke complexiteit” en het begrijpen door de
consument. Groenten, fruit en melk zijn algemeen bekend als gezond.
Grootmoeder, moeder, etc., vertelden dat al. Hieruit volgt dat bijvoorbeeld het
op de markt brengen van een zuivelproduct met een goede smaak, aantrekkelijke
verpakking en een goede algemene gezondheidsboodschap snel succesvol zal
blijken. Indien echter een bio-actief ingrediënt zoals glucosamine wordt
toegevoegd met de claim “voor soepele gewrichten” is dat anders. Wie weet wat
glucosamine is? Neemt de consument een zuivelproduct voor soepele gewrichten?

Werkt dat wel? Moet je dat dan elke
morgen innemen? Kan ik dat voelen? Is er een goede samenhang tussen zorg om
mijn gezondheid en het consumeren van voedsel? Als de consument er nog nooit
van gehoord heeft is er een enorm marketing en communicatiebudget nodig om een
vraag in de markt te creëren. Deze vraag dient dan ook aan het begin van de rit
gesteld te worden.

Voor een productidee verder kan worden
ontwikkeld moeten een aantal vragen beantwoord worden die een latere tegenslag
kunnen helpen voorkomen. In deel twee van dit artikel, dat in een volgend
nummer van Voeding Nu verschijnt, wordt verder op deze aspecten ingegaan.

Functionele
voeding

Functionele voeding wordt gedefinieerd
als een voedingsmiddel of een drank – deel uitmakend van een normaal dieet –
met een effect op de gezondheid dat verder gaat dan de normale voedingswaarde
van de ingrediënten die er normaal in zitten. Het product moet in de aanbevolen
consumptiegrootte tot het geclaimde gezondheidseffect leiden. Als functioneel
voedingsmiddel levert het ‘meer dan de gewone voedingswaarde en energie’ zoals
die aanwezig is in het ‘normale’ product. Een voorbeeld om dit te
verduidelijken. Calcium wordt algemeen aanbevolen voor de groei en
instandhouding van gezonde botten. Een hogere calciuminneming op jonge leeftijd
zal leiden tot een hoge botdichtheid en tot een vertraagd optreden van
osteoporose op latere leeftijd. Hierom wordt het drinken van melk sterk
aanbevolen. Kinderen die niet van melkproducten houden nemen met hun dagelijkse
voeding misschien te weinig calcium op en kunnen daardoor hun voordeel doen met
het drinken van vruchtensap waaraan calcium is toegevoegd, normaal niet
aanwezig is. De voedings- en energiewaarde van sap met en zonder calcium zijn
gelijk maar de toevoeging van calcium introduceert een extra functioneel
aspect.

Dit
artikel verscheen in Voeding Nu nummer 9 van september 2009 op bladzijde 27

Reageer op dit artikel