artikel

Invloed van klimaatverandering op natuurlijke toxinen in ons voedsel *

Voedselproductie

Invloed van klimaatverandering op natuurlijke toxinen in ons voedsel *

Klimaatverandering heeft effect op de veiligheid van ons voedsel. Onduidelijk is hoe die veiligheid wordt beïnvloed door de op handen zijnde veranderingen in ons klimaat. Tot nu toe zijn er een aantal literatuuroverzichten en theoretische benaderingen gepubliceerd over mogelijke effecten van klimaatveranderingen op voedselveiligheid. Kwantitatieve schattingen zijn echter nog niet gemaakt. Het EMTOX-project heeft als doel om – aan de hand van kwantitatieve modellen – inschattingen te doen over de impact van klimaatveranderingen op het optreden van natuurlijke toxinen (gifstoffen).

Het EMTOX-project richtte zich op de aanwezigheid van twee soorten natuurlijke gifstoffen: mycotoxinen (gif geproduceerd door schimmels) in granen en mariene biotoxines in schaal- en schelpdieren. Mariene biotoxines zijn giftige stoffen van algen die – via het filteren van water door schelpdieren – ophopen in de schelpdieren, zoals mosselen. Algen kunnen zich, onder bepaalde omstandigheden, sterk vermeerderen en de toxines produceren; de zogenaamde toxische algenbloei.

Het EMTOX-project betrof een samenwerking tussen twaalf onderzoeksgroepen uit zes verschillende Europese landen, en is gecoördineerd door Rikilt Wageningen UR. Uit Nederland namen ook PRI Wageningen UR en Deltares deel.

Mondiale en regionale klimaatmodellen
Aan de hand van modellen is geprobeerd in te schatten welke impact klimaatveranderingen hebben op de besmetting van tarwe in Noordwest-Europa met het mycotoxine deoxynivalenol (DON) en op mariene toxinen geproduceerd door algen van de Dinophysis groep in het Noordzee kustgebied. Binnen Europa zijn dit de belangrijkste twee toxinen die voorkomen in granen en schelpdieren. Voor beide toxinen geldt dat er Europese wetgeving is voor maximale concentraties van deze toxinen in voedselproducten en grondstoffen. Voor DON geldt dat de maximale wettelijke concentratie 1250 μg/kg is voor onbewerkte tarwe. Voor biotoxinen die geproduceerd kunnen worden door algen van de Dinophysis groep geldt een maximale concentratie van 160 μg/kg schaal/schelpdieren (voor de totale concentratie van toxinen uit deze groep).

De onderzoekers hebben gebruik gemaakt van mondiale en regionale klimaatmodellen. Om rekening te houden met de onzekerheid die gepaard gaat met het doen van klimaatvoorspellingen zijn twee verschillende combinaties van mondiale en regionale modellen gebruikt. Als uitgangspunt voor verdere berekeningen zijn schattingen van deze modellen over regenval, relatieve luchtvochtigheid en temperatuur in de periode 2013-2050 gebruikt. Deze gegevens zijn vervolgens gebruikt in modellen voor simulatie van tarwegroei en het optreden van deoxynivalenol in tarwe.

Daarnaast zijn hydrodynamische en ecologische modellen gebruikt voor het voorspellen van het optreden van toxische algenbloei in de Noordzee. Deze modellen houden rekening met nutriënten van waterstromen vanuit oceanen en vanuit rivieren, en met het klimaat boven de Noordzee. Vervolgens berekenden de onderzoekers de aanwezigheid van algen in de Noordzee aan de hand van al deze factoren, en ook de onderlinge verhouding van verschillende soorten algen.

Regionale verschillen
Uit de resultaten van het project blijkt dat door klimaatverandering in de toekomst meer tarwe en ook meer mais in Noord-Europa kan worden verbouwd. Het tarwe dat in deze regio wordt geteeld zal eerder kunnen worden geoogst, en zal gemiddeld over het gehele gebied meer van het mycotoxine deoxynivalenol bevatten. De verschillen tussen regio’s zijn echter groot: er zijn regio’s waarvoor een toename van deoxynivalenol wordt verwacht, en er zijn regio’s waarvoor een afname wordt verwacht (zie figuur 1). Voor Nederland wordt aan de hand van één combinatie van mondiale en regionale klimaatmodellen een zeer geringe verandering verwacht, zowel een geringe toe- als afname, afhankelijk van de regio. Aan de hand van de tweede combinatie van mondiale en regionale klimaatmodellen, wordt voor Nederland vooral een toename verwacht, tot een factor twee tot drie in een aantal gebieden.

Verder voorspellen de onderzoekers een stijging van de concentraties van algen van de Dinophysis groep in de Noordzee en de vorming van zogenaamde toxische algenbloei. Het is echter nog onzeker of hiermee ook de besmetting van schelpdieren met biotoxines van deze groep algen toeneemt.

Verder blijkt uit de resultaten dat de regionale verschillen in Noordwest-Europa groot zijn en dat risicomanagers in de voedselveiligheid dan ook voortdurend alert moeten zijn. Ook is het raadzaam de niveaus van mycotoxines en mariene biotoxines in de toekomst nauwlettend te volgen. Dit, omdat riskante situaties kunnen ontstaan door gunstige klimaatomstandigheden voor toxineproducerende organismen. Het is dan ook belangrijk om op Europees niveau de continuïteit van het verzamelen van de juiste gegevens te behouden.

De projectresultaten zijn gepubliceerd in een serie wetenschappelijke artikelen, die zijn verschenen in een recente uitgave van Food Additives and Contaminants, part A.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 1/2 van januari/februari 2013 op bladzijde 22

Reageer op dit artikel