artikel

De botsende werelden van fast food, slow food en smart food

Voedselproductie

De botsende werelden van fast food, slow food en smart food

Het eerste wat opvalt bij het betreden van het enorme World Expo-terrein in Milaan (Italië) zijn de gratis watertappunten en daarna de enorme reclamezuilen van Ferrero. “No farmers, no party”, staat er direct naast. Dat is de Expo: een kakafonie van vormen, kleuren, boodschappen en beeldschermen. Na een dag kun je niets meer in je opnemen.

Natuurlijk ben ik benieuwd naar het Nederlandse Paviljoen. Ik start met een Nederlandse koffie aan een tafeltje met opgeplakte klimaatprofessor Pier Vellinga en waterprofessor Arjan Hoekstra. Op het plein een diversiteit aan foodtrucks. Het Brabantse worstenbroodje staat gebroederlijk naast de weedburger, smoothies en poffertjes. “Leeft de Expo wel in Nederland?” vraagt de man van de worstenbroodjes. Hij klaagt dat de Nederlandse overheid de grote afwezige is. De stand van 6 miljoen is voor een groot deel door de gemeente Rotterdam betaald, die de Expo in 2025 naar haar stad wil halen. De foodtruckers zelf staan er op eigen risico. Maar ze hebben niet te klagen: rond lunch- en dinertijd loopt het paviljoen aardig vol. Want wie de Expo bezoekt, komt voor het eten. Het thema is immers “Feeding the Planet, Energy for Life.” In de kleine circustent tref ik allerlei bekende Nederlandse innovaties, zoals rondeelstal, kweekvlees, omega-3 uit algen, drijvende kassen en zilte aardappels.

Traditie versus innovatie
Echte innovaties zijn voor de kenners moeilijk te vinden, maar voor het brede publiek is het wel een ontdekkingstocht. Op het future foodplein staat een mooie verticale slakweekinstallatie met led, maar aan de enorme supermarkt van de toekomst van COOP, kan ik weinig vernieuwends ontdekken. In het Chinese paviljoen test ik een slimme BMI-meter, die zich naast het meten van lengte en gewicht, ook waagt aan een algemeen voedingsadvies. Bij het Koreaanse paviljoen proef ik voor het eerst chips op basis van zeewier. Nota bene kon je vijftien jaar geleden op de Expo in Hannover (Duitsland) voor het eerst insecten proeven! Beide proberen daarnaast hun traditionele voedingspatroon en eetfilosofie uit te dragen. Hansik bijvoorbeeld, is een combinatie van verse, natuurlijke ingrediënten, gecombineerd met gefermenteerde, slow-food smaakmakers.

Door het concept van de landenpaviljoens is er vanzelf een nadruk op landeigen tradities. Bij Letland kun je BOB-gecertificeerde kruidkoek proeven, bij Ethiopië maak je een koffieceremonie mee, bij Sri Lanka krijg je een theemonster en bij Zwitserland draait het om kazen. Heel erg cliché is wel het Belgische paviljoen, dat gedomineerd wordt door een frietkot en biertent. Verrassender is dan een land als Oman, waar je ontdekt hoe de visserscultuur is, wat de belangrijkste eiwitbronnen zijn en de traditionele manier van bijenhouden. Wat ook tekenend is, is dat de boerderij van de toekomst van de Italiaanse landbouworganisaties bij de opening nog niet af is …

Niet bij brood alleen
Opeens stuit ik op het paviljoen van de heilige stoel, we zijn immers in Italië. De katholieke kerk is opmerkelijk aanwezig met een vrolijke versie van het laatste avondmaal en een hele lange tafel, als symbool voor de plek waar we voeden, delen, praten en liefhebben. Maar bij het Paviljoen Zero van de Verenigde Naties (VN) tref ik pas echt een enorme ideologische en adembenemende kathedraal van het leven aan. Op het grootste scherm dat ik ooit gezien heb (600 m2) worden 500 1-minuut filmpjesover voedsel getoond, vervolgens loop je door naar een zaal gewijd aan biodiversiteit, een zaal met witte beelden van alle gedomesticeerde landbouwdieren, een immens openluchttheater met een metershoge boom uit het dak, een zaal met de ontwikkeling van de landbouwtechniek, een scherm over fluctuerende voedselprijzen, een ruimte met een berg voedselverspilling, een zaal met films over cultuurlandschappen en een overzicht met duurzame voedselhulp. Alleen hiervoor zou je al naar de Expo moeten gaan. De VN is een van de grotere sponsors van de tentoonstelling met achttien installaties over het terrein met prachtige uitlegkaarten over allerlei voedselthema’s. Een voorbeeld daarvan is het Arid Zones paviljoen met een prachtige fototentoonstelling over voedselproductie in waterschaarse woestijngebieden en waar ook arme landen, zoals het dictatoriale Eritrea (‘we pray together, love together, eat together’) een standje hebben. Achter de façades van de architectonische hoogstandjes zie je ook iets van de echte problemen: het paviljoen van de Palestijnse Gebieden is leeg, omdat volgens de aardige, verontschuldigende dame – die overigens meteen over Delfts blauw begint als blijkt dat ik uit Nederland kom – de goederen niet door de douane komen, en bij het paviljoen van Nepal, dat nog niet open is, ligt  op het grasveld ervoor een fotocollage van de door de aardbeving verwoeste gebouwen in Kathmandu.  Bij het Zero Hunger gebied met noodhulptent en veld met blauwe lepels als symbool voor de monden die nog te voeden zijn is het verdacht leeg.

Biodiversiteit als trend
Blikvanger op het terrein is de enorme ‘Tree of Life’ installatie, met licht-, water- en geluidshow. De meerwaarde van de Expo zit echter niet in dit mechanische, dode ding, maar in al het levende materiaal dat aangeplant is. In het granen-, rijst-, fruit- en peulvruchtenpaviljoen kun je in levende lijve zien hoe voeding groeit. Educatief om een keer te zien hoe koffie, quinoa, malanga en rietsuiker groeit. Leuk detail zijn de met geurende nootmuskaat- en kruidnagelbedekte muren van het specerijengebouw. Biodiversiteit en biologisch is echt de trend (er is zelfs een hele biologische supermarkt ingericht). De soortenrijkdom komt het mooiste van de grond bij Brazilië, met honderden tropische gewassen, bij Bahrein met sfeervolle Arabische vruchtentuinen, en Slow Food met een prachtige groentetuin. In hun Ark van de Smaak leggen ze met hun maisman de zere vinger op de plek van de monocultuur; met 974 miljoen ton per jaar is mais het belangrijkste landbouwgewas ter wereld, maar naast wat verkoop van regionale producten valt hier weinig te proeven. Wel stuit ik hier op een ander issue: de Ark is demontabel en om te bouwen naar woningen in ontwikkelingslanden. Zo rijst de vraag wat er na zes maanden met al die andere geldverslindende hoogstandjes gaat gebeuren.

Multinationals domineren
Op de als chocoladeblokjes vormgegeven krukjes van Lindt zit een vrouw met morbide obesitas uit te rusten, nadat ze weer gezwicht is voor één van de verleidingen. Over de overdekte hoofdpassage fietsen continu rinkelende Cornetto-ijskarretjes heen en weer om verkoeling bij het 28-gradenwarme weer te brengen. Bij de Coca Cola-stand staan dikke rijen kinderen. De koffiestand wordt gedomineerd door Illy. Het Amerikaanse Food 2.0-gebouw wil ik geeneens binnengaan, omdat Nike de ingang opslokt. Het meest over de top is het Kinder + Sport ‘joy of moving’ traject (je weet wel van het suprise-ei), dat zo ongeloofwaardig is dat hier niemand te vinden is. De Expo is inderdaad niet alleen een showcase voor landen, maar vooral ook een reclamezuil voor foodmultinationals. Een duidelijke afspiegeling van de maatschappij, waar weinig No Logo openbare ruimtes meer zijn. Zo geeft de tentoonstelling haarfijn de spanning tussen de werelden van fastfood en slowfood weer, inclusief alle politieke belangen. Weedburger naast worstenbroodje.

Jezelf voeden
In de loop van de dag wordt het steeds drukker. Italianen kunnen voor 5 euro een avondkaartje krijgen. Rond etenstijd staan er lange rijen bij de restaurantjes, foodtrucks, frietkots en andere eetgelegenheden. Feeding the Planet is vooralsnog eerst jezelf voeden. De Expo is een echte eetbelevenis en met name een aanrader voor degene die van moderne architectuur houden. Vooral de VN themapaviljoens zijn informatief en verdienen de aandacht. Het terrein is overzichtelijk en goed te belopen. Je kunt er gerust drie dagen doorbrengen, maar na één dag zit je helemaal vol.

Meer info:

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 7/8 van juli/augustus 2015 op bladzijde 22

Reageer op dit artikel