nieuws

‘Schrap verplichte vermelding van gehard vet’

Voedselproductie

‘Schrap verplichte vermelding van gehard vet’

Margarinefabrikanten willen af van de verplichting om op etiketten te vermelden of gebruikte vetten volledig of gedeeltelijk gehard zijn. “Het is overbodige informatie en zet consumenten op het verkeerde been. Het idee bestaat dat volledig gehard vet meer transvetzuren bevatten en dus veel ongezonder is dan gedeeltelijk gehard vet. Het omgekeerde is waar.”

De oproep komt uit de koker van de European Margarine Association (IMACE). De belangenvereniging van de Europese margarinefabrikanten probeert de beleidsmakers in het Europese Parlement ervan te overtuigen dat met de huidige etiketteringsregels rondom vetten onduidelijkheid bij de consument wordt geschapen. De verplichting van producenten om te vermelden of de gebruikte plantaardige oliën en vetten volledig of gedeeltelijk gehard zijn, wakkert onterecht zorgen aan over ongezonde transvetzuren, stelt Imkje Tiesinga van de European Margarine Association (IMACE). VMT stelde Tiesinga een aantal vragen over de problematiek.

Er zijn consumenten die zich zorgen maken over de hoeveelheid ongezonde transvetzuren in margarines en bak- en braadvetten. Is dat een terechte zorg?

Tiesinga: “Nee. Eind jaren 80 kwam men tot de ontdekking dat transvetzuren, die ontstaan bij het  harden van plantaardige oliën, erg slecht zijn voor het cholesterolgehalte. In 1995 is onze sector op Europese schaal begonnen met het uitbannen van transvetzuren (TFA, Trans Fatty Acids) in de producten die we op de markt brengen. Het is een mooi voorbeeld van zelfregulering geweest: inmiddels zit is de hoeveelheid transvetzuren ver teruggebracht en zitten er nog nauwelijks transvetzuren in. 

Nauwelijks?  Over hoeveel transvetzuren hebben we het dan?

Tiesinga: “De huidige praktijk is nu volledig in lijn met aanbevelingen en bestaande wetgeving in sommige EU-landen. In Nederland bijvoorbeeld is de aanbeveling om maximaal 1 energieprocent te consumeren en de inname van transvetten is nu rond de 0,5 energieprocent. En daarvan is de helft afkomstig uit dierlijke bronnen.” 

Ondanks dit mooie voorbeeld van zelfregulering, onderzoekt de Europese Commissie nu of er straks toch een wettelijke maximering moet komen voor de hoeveelheid transvetzuren in een plantaardig product. Dat is dan toch overbodig?

Tiesinga: “Ja en nee. Wetgeving lijkt overbodig als je kijkt naar de huidige situatie. Margarinefabrikanten hebben het probleem van transvetzuren namelijk zelf al twintig jaar geleden opgelost. Het probleem speelt dus niet meer, want alle producten bevatten reeds minder dan 2 procent transvetzuren. Echter, omdat het nog niet in de Europese wet is vastgelegd, heb je toch steeds weer mensen die denken dat het niet goed geregeld is. Daarom is de industrie toch voorstander van de Europese wettelijke limiet van 2 procent. De fabrikanten willen het nu wel een keer geregeld hebben. Een dergelijke wetgeving schept duidelijkheid in de discussie, zorgt dat de goede resultaten van de industrie bestendigd worden en biedt een level playing field voor alle producten op de Europese markt.” 

Wanneer verwacht u de wetgeving hierover?

Tiesinga: “Dat is moeilijk te zeggen. De Europese Commissie houdt hiervoor binnenkort een derde consultatieronde bij lidstaten en bij organisaties zoals de onze. Overigens hebben enkele individuele landen in Europa al wel wetgeving over transvetten. Dat zijn onder meer Denemarken en Oostenrijk.” 

Hoe komt het dat veel consumenten blijven denken dat er veel ongezonde transvetzuren in de margarine en bak- en braadproducten zitten?

Tiesinga: “Omdat er in de media en op het internet steeds weer verhalen over verschijnen. Het hardnekkige misverstand circuleert dat er in gehard vet meer transvetzuren zitten dan in gedeeltelijk gehard vet. En dat is niet zo. Transvetzuren zijn namelijk een soort tussenvorm en ontstaan vooral bij de omzetting van plantaardige oliën naar gedeeltelijk gehard. Maar als de oliën volledig gehard zijn, dus van vloeibaar naar vast, dan ontstaan er bijna geen transvetzuren. Overigens wordt de techniek van gedeeltelijk harden niet meer toegepast.” 

Waarom staat er dan niet gewoon op het etiket vermeld hoeveel transvetzuren erin zitten in plaats van de vermelding ‘gehard’ of ‘gedeeltelijk gehard’?

Tiesinga:  “Dat is ook precies wat we voorheen deden en nog wel zouden willen, maar dat is nu wettelijk niet toegestaan. De fabrikanten zijn gehouden aan de Europese etiketteringsverordening 1169/2011 (FIC), waarin staat dat je aanwezige transvetzuren niet op het etiket mag vermelden. Maar wat je er wel op moet zetten is of je plantaardige of dierlijke vetten gebruikt en of deze gehard of gedeeltelijk gehard zijn. Dat zet consumenten nu dus op het verkeerde been, wat ook is gebleken uit consumentenonderzoek en daarom willen we van deze vermelding af. Bovendien zou het kostbare ruimte op het etiket schelen.” 

Verder staat op het etiket ook apart vermeld wat het percentage verzadigde en onverzadigde vetzuren (meervoudig en enkelvoudig) is. Moet dat wel zo blijven?

Tiesinga: “Ja, dat is relevante informatie. Want daarmee kan de consument kiezen voor producten met de gezondere onverzadigde vetten. Vervanging van verzadigde vetten door onverzadigde vetten heeft een positief effect op het risico op hart- en vaatziekten.” 

We hebben het nu vooral gehad over transvetzuren die ontstaan bij het industriële harden van plantaardige oliën en vetten. Maar hoe zit het met de transvetzuren in dierlijke producten? Wordt dat met een eventuele nieuwe Europese wet ook aan banden gelegd?

Tiesinga: “Nee. Transvetzuren kunnen inderdaad ook ontstaan in de magen van herkauwers zoals koeien. In zuivelvet en botervet zitten dus ook transvetzuren, maar dat zit er dus van nature in en laat zich er niet zomaar uithalen. In botervet heb je het dan over 3 tot 5 procent transvetzuren op de totale vetbasis. Dat is hoger dan die 2 procent waar verwerkers van plantaardige oliën aan gehouden zijn. De gemiddelde consument krijgt tegenwoordig dus al meer dan de helft van zijn transvetzuren binnen via dierlijke producten.  Wat ons wel bevreemdt is dat er  geen intentie lijkt te zijn om de consument informatie te geven over die dierlijke transvetten. Terwijl de dierlijke producten waar transvet in zit een hoger gehalte bevatten dan de 2 procent waar voor onze producten over wordt gesproken.” 

In oktober vorig jaar stemde het Europees Parlement al in met een voorstel voor een limiet voor transvetzuren in voedingsproducten van maximaal 2 procent. 

Reageer op dit artikel